De Experimenteercommissie

Wat stel je je voor bij een experimenteercommissie? Ik denk gelijk aan iets Oost-Duits, van tijdens de koude oorlog. Kleine kamertjes, beige muren, elektroshocks. Hallucinanten en catatonische onderzoekssubjecten. De experimenteercommissie die ik ken uit mijn studententijd had een vrolijker inslag. Aan het begin van mijn studietijd, toen alles nog moest beginnen, was ik korte tijd lid van een studentenvereniging die met grijnzende trots aan wie het wilde horen vertelde dat de vleesgeworden burgerlijkheid J.P. Balkenende (in die tijd de premier) ook lid was geweest. De vereniging had in de jaren daarna een behoorlijke verandering ondergaan, wat het best valt te illustreren aan de hand van de poster die men her en der in het universiteitsgebouw ophing om nieuwe leden te werven met de slogan: ‘zuip je helemaal babyschaap’.

Maar zuipen tot je helemaal babyschaap was was gemeengoed onder de studenten van toen, en waarschijnlijk ook onder die van nu. Daar heb je geen experimenteercommissie voor nodig. Nee, de experimenteercommissie richtte zich op de meer obscure geestverruimende middelen. De premisse: een avond bij een commissielid thuis, fijne muziek, fijne mensen. Een bepaalde substantie ervaren en er vervolgens een stukje over schrijven voor in het blaadje van de vereniging. Sharing is caring, zo vond men toen al.

In mijn geval ging het om het huis van ene A., die arts zou worden, en ook, best toepasselijk, de substantie leverde, mijn goede vriendin N., leuke kennis B., flirt C. en substantie E. Of X. Dat ligt aan je schrijfwijze. Geheel tegen onze natuur in dronken we water die avond, wat, toen E. zijn werk begon te doen, alleen maar heerlijk en natuurlijk was. Die avond hadden we ergens heen gekund natuurlijk. We hadden kunnen gaan dansen. We hadden de stad kunnen doorkruisen en adembenemende inzichten over de wereld kunnen opdoen. Maar we bleven op die kamer, in het huis van ene A., de arts in opleiding en dat was precies waar we moesten zijn. Waar alle gesprekken over gingen ben ik vergeten. Waarom het precies zo’n heerlijke avond was ook. Maar dát het dat was, dat weet ik nog. Vriendin N. maakte haar trip mee stil liggend op het bed van A. ‘Laat me maar, ik lig hier goed.’ Ik geloof dat flirt C. en kennis B. veelal samen in gesprek waren. A. staat me niet bij. Ik denk dat ze geregeld keek of het nog goed ging met N. En ik? Ik was compleet gelukkig, starend in de ruimte, licht glimlachend om alles. De lucht om me heen liefkoosde mij zoals geen minnaar nooit gedaan had en dat alles uit liefde bestond en alleen maar liefde wilde zijn, ondanks alles wat misging in de wereld, brak mijn hart op de meest liefdevolle wijze.

A. schreef achteraf een stukje voor het verenigingsblaadje. Dat N. ongeveer knock-out was gegaan. Dat C. en B. het zo naar hun zin hadden gehad met elkaar. Wat schreef ze over mij? Ik kan het me niet herinneren. Maar E. en ik waren een kortstondig liefdeskoppel geweest. Die avond te midden van die mensen die ik maar voor de helft kende beleefde ik de meest intense liefde die ik ooit had gekend. En toen moest alles nog beginnen.

Dit stuk verscheen op 9 september 2019 in de VARA-gids.

Mijn hortensia en ik, of hoe ik tuinier werd

Mijn tuin en ik hebben sinds kort een affaire. Het is pril, maar hevig. Ik heb alle reserves die ik bij tuinieren had over de schutting gegooid.

Ik dacht altijd dat ik niet zoveel heb met tuinen. Ik had er eentje om bij mooi weer in te zitten, en dat was voldoende. Gelukkig had ik mensen om me heen die af en toe het gras maaiden of een tak afzaagden nadat ik er met mijn gezicht zeven keer in was gelopen, en verder was het een kwestie van leven en laten leven, vond ik. Ik heb weleens geprobeerd de heg te snoeien met een elektrische heggenschaar, maar nadat ik op een zondagmiddag mijn eigen snoer doorzaagde, bij de Gamma een nieuw snoer kocht en dat bij thuiskomst weer doorzaagde, ging ik er vanuit dat ook dat klusje beter door een ander kon worden geklaard. Ik was gewoon geen tuinier.

Laatst dacht ik terug aan het telefoonspelletje Candy Crush. Afgelopen zomer zat ik dagenlang gekleurde figuurtjes heen en weer te schuiven op het schermpje, maar het vreemde was dat ik tijdens deze nutteloos lijkende bezigheid wél nadacht. Ik dacht alleen na op een ander niveau: onderbewust. Denken was organischer, dieper, en: origineler. Alsof ik mijn voorbrein moest bezighouden om mijn achterbrein geconcentreerd aan het werk te zetten. En die concentratie ging niet alleen gepaard met goede ideeën, maar ook nog eens met diepe ontspanning: beide grote winst voor een schrijver.

Toen mijn speelgedrag uit de hand begon te lopen, heb ik Candy Crush verwijderd, maar ik vermoedde dat je het achterbrein ook aan het werk kon zetten door andere repetitieve, niet veel denkkracht vereisende bezigheden. Enter: tuinieren.

Nu wilde het geval dat mijn huis zou worden verbouwd en dat er een immense hortensia in de weg stond. Het was de enige plant in mijn tuin die ik liefheb. Misschien omdat hij zonder enige aansporing of aandacht maanden achter elkaar uitbundig bloeit. Als een tante die ondanks een gebrek aan complimenten, haar astma én de asbest in haar slaapkamertapijt op elk feest opgetogen uitbarst in een zelfgeschreven lied. Ik kon daar alleen maar ontzettend veel respect voor hebben.

Ik wilde dus absoluut dat de reuzenhortensia de verbouwing zou overleven en om dat te bereiken moest ik ’m verhuizen naar de andere kant van de tuin.

Het was een beetje gek; aan de ene kant had ik me goed voorbereid, maar, zoals later zou blijken, aan de andere kant ook totaal niet. Ik had potgrond gekocht, tuinaarde, goede schoppen: koud kunstje. Voor alle zekerheid had ik ter voorbereiding nog een YouTube-filmpje gekeken waarin een hevig besnorde tuinman een hortensia verplantte, en dat zag er niet zo vreselijk moeilijk uit. Voortvarend had ik alvast mijn hardloopkleren aangetrokken. Zodat ik niet in de verleiding zou komen na het klusje op de bank te ploffen, en mezelf niet stiekem zou vertellen dat tuinieren óók sporten is. Ammehoela, dacht ik. Ja, bejaardensporten misschien.

Graven is geen astrofysica. Toch ging het een stuk minder makkelijk dan ik had gedacht. De aarde was hard en stug en moeilijk doordringbaar door de overvloed aan sliertige worteltjes die ik met iedere schep moest doorsnijden. Het knappen van de sliertjes maakte daarbij een verontrustend en tegelijk heerlijk verwoestend geluid. Ik wist niet wat er in de grond zat, maar iets had machtig veel kleine wortels. Ik dacht niet dat ze van de grote bomen kwamen, maar zeker weten deed ik het niet, want ik wist nu eenmaal niets van tuinieren. Ik was er vrij zeker van dat grote bomen grote wortels hadden, maar misschien hadden ze tussen die grote wortels wel een netwerk aan kleinere wortels groeien, als de zwemvliezen van een eend.

Als ik ergens niks van weet, twijfel ik opeens aan alles. En dan komt steevast de fantasie naar boven dat ik meedoe aan Weekend Miljonairs en Robert ten Brink mij een ogenschijnlijk makkelijke vraag stelt waarbij ik tóch twijfel, want ik weet niks.

Grote bomen hebben
A) geen wortels
B) kleine wortels
C) grote wortels
D) grote wortels met daartussen een netwerk aan kleinere wortels als de zwemvliezen van een eend

Logica en gezond verstand hebben op dat moment geen enkele waarde meer want alles kan een strikvraag zijn en soms zijn dingen anders dan je denkt.

De problemen die ik verder tegenkwam behelsden grote boomwortels, nog grotere boomwortels en zowaar een echt boomstronkje, dat verstopt onder de grond zijn tijd had afgewacht om mij te verrassen op het moment dat ik dacht er bijna te zijn. Irritant, zeker, maar de arme stronk wist niet wie hij voor zich had, hoe diep het belang van de hortensia zich in mij had geworteld, mij voorzag van wil, woede en waanzin (naar ik vermoed de drie-eenheid van tuinieren). Die stronk moest er dus uit. Maak plaats voor mijn hortensia!

De stronk in de groenbak gooien was een onvermoede beloning. Mijn kuil bekijkend, zag ik dat mijn hardloopbroek en -schoenen onder de zwarte vegen en modder zaten. Stukje bij beetje drong tot me door dat ik de boel misschien wat te lichtzinnig had opgevat.

Je weet niet wat er in de grond van je tuin verborgen zit. Je weet het echt niet. Ik vond aan de rand van mijn hortensia een aantal plastic doppen, een raadselachtige verroeste haak, een rol geribbelde plastic border, potscherven uit de jaren 90, een onduidelijk half ei van verroest metaal met mysterieuze witte korrels erin en dertien natte spartelende paars-roze wormen – wat natuurlijk niet vreemd was, maar wat ik wel een beetje vies vond. En zo kwam ik te denken over het waarom van vies, en of nat altijd smeriger is dan droog, en of het reukorgaan beter in staat is om de viezigheid te constateren dan enig ander zintuig.

De hortensia werd me dierbaarder en dierbaarder. Hoe dieper ik groef, hoe vaster hij bleek te zitten. Tot een halve meter onder de grond was hij ingebouwd in een provisorische plantenbak, gemaakt van allerhande stoep- en tuintegels; heel, gebroken, het maakte niet uit, ze waren gebruikt. Hoe was het in vredesnaam mogelijk dat mijn plant nog zo formidabel groeide? Leed hij aan claustrofilie, het knusse spiegelbeeldzusje van claustrofobie? (Ik heb het opgezocht, echt, het bestaat.) Of zou hij zonder die vreemdsoortige bak nóg beter hebben gegroeid? Tuinman Snor zou het vast weten. Ik peinsde en ik groef. Ik dacht aan YouTube en dat ik, als ik straks een geoefend tuinier was, ook een tuinierkanaal zou kunnen hebben. Misschien moest ik een sjaaltje of zo, om me te profileren, zoals Snor een snor had. Ik groef en ik peinsde.

Ik had geen tuinhandschoenen aan gedaan, en mijn handen waren zo zwart en geschaafd dat ik het ook de moeite niet meer waard vond. Waar ik eerder nog probeerde mijn broek een beetje schoon te houden, was ik nu zo vastbesloten de plant uit te graven dat ik alles wilde inzetten: ik zat aan de rand van het gat met mijn been tegen de andere kant en joeg met de schop de kluit van de plant een paar millimeters omhoog. Dat hield ik twee seconden vol en dan viel hij terug. Ik dacht aan mijn bevallingen, en dan met name het persen; het tergend trage proces van twee stappen vooruit, een stap terug was ook hier van toepassing. En dat deed me goed. De plant en ik kregen een band.

En toen kwam het moment dat ik over de heuvel was. Tijdens een bevalling noemen ze dit dat het hoofdje van de baby ‘staat’. Het is (excuus voor mijn plasticiteit) het moment dat het hoofdje in de vagina ‘vast’ zit, na een wee niet meer terugglijdt naar binnen, maar een verschrikkelijke wee lang een rek- en strekoefening voor je vagina uitvoert. De kluit stond. Hij viel niet meer terug. En hij was ongelooflijk en zeer onverwacht ontzettend zwaar.

Toen ik de hortensia halverwege mijn tuin had gesleept op de deksel van de zandbak, begaven mijn spieren het. En ik lachte. Ik zakte neer, in mijn hardloopbroek op de vochtige aarde en lachte, lachte met mijn hoofd achterover alsof ik langzaam dol werd. Ondanks genadeloze klauwen die al mijn spieren steeds steviger en steviger vastknepen, hurkte ik weer bij de plant, klemde mijn trillende, verkrampte handen om de rand en bewoog ik de deksel met puur mijn wil over de tuintegels naar het gat. De hortensia lag bloedend op de brancard, zijn wortels pijnlijk ontbloot: hij moest en hij zou het gat in. Er was geen andere mogelijkheid.

Hier ontbreekt een stukje aan mijn herinnering. Het kan zijn dat de hand van God barmhartig neerstreek en de hortensia in het gat vleide. Of misschien was het een buitengewone kracht die zich in mij voltrok waardoor ik een minuut lang bovenmenselijk sterk werd en deed wat mij het belangrijkste leek voor de wereld: de hortensia planten. Of misschien sleurde ik mijn grote vriend in het gat met mijn laatste restje kracht en viel ik daarna even flauw. Hoe het ook zij: hij stond.

Mijn sportkleren waren veranderd in werkkleren. Er zaten blaadjes in mijn haar en vegen aarde op mijn bovenlip zodat ik een impressie had kunnen geven van Charlie Chaplin die een imitatie deed van Adolf Hitler in The Great Dictator, als ik maar niet zo gebroken was geweest. Ik keek naar mijn handen die zo zwart waren als alleen een dag tuinieren zonder handschoenen ze kan maken en waarop een sterrenhemel aan wondjes zichtbaar werd. Mijn vingers waren als takken zo krom en stijf en mijn schouder wipte zichzelf af en toe per ongeluk uit de kom. Ik sjokte naar binnen. Op de bank voor het raam ging ik zitten, mijn aardebillen zonken dankbaar weg in het kussen. Mijn voorbrein was leeg. Mijn achterbrein zinderde van ideeën.

Plots zag ik de tuin zoals ik de hortensia had gezien: vol schoonheid en levenslust; groeiend en bloeiend en tjirpend, kruipend en ritselend en zingend. De tuin, mijn vriend. De reuzenhortensia stond op zijn nieuwe plek alsof hij daar altijd al gestaan had, zijn groene knopjes ademden het zonlicht in. Van hardlopen zou het niet meer komen vandaag. Maar hé, ik was verliefd. Ik was tuinier geworden.

 

 

Dit stuk werd gepubliceerd in AD Magazine van 26 mei 2018. Online kun je het ook hier lezen.

Hoe word je onsterfelijk?

Ik ga vertellen wat de enige manier is, die ik ken, om onsterfelijk te worden. Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ben als de dood voor de dood. Niet voor het doodgaan, maar voor het niet meer zijn. Voor ik vertel hoe je onsterfelijk wordt, moet ik iets anders vertellen.

Mijn dochter is acht. Ze schrijft boeken. Mijn zoon is vijf. Hij kan ‘vis’ lezen. Ik ben zo trots.

Ik heb me regelmatig afgevraagd waarom ik schrijf. Vaak is het niet zo leuk. Maandagochtend. Ik heb mijn kinderen naar school gebracht. Ik kom thuis. Ik ben schrijfster, dus naast de opengeklapte laptop wachten er een min of meer constante berg was, een vol aanrecht, tafelkruimels en – vooruit, een kop koffie. Omdat ik in de eerste plaats schrijfster ben, en pas in de derde, vierde of vijfde instantie huisopruimer, krijgt het verhaal altijd voorrang. Maar de ochtenden dat het klikt, direct, tussen mij en het verhaal, zijn zeldzaam. Afleiding is slechts een berichttoon weg. Het is moeilijk om je erin te storten. Het is spelen met je ego. Het is in het donker zoeken in de rotzooi in je hoofd. Het is gaatjes prikken in je hart. Het is nachten in je eentje op de uitkijk staan.

Waarom ik niet schrijf. Ik schrijf niet om beroemd te worden. Ik schrijf niet om de eer. Ik schrijf niet om het geld. Uiteraard niet.

Waarom ik wel schrijf. Reden 1. Ik schrijf om te ontdekken, om te leren, om honderd personen in één leven te zijn. Om alles mee te maken. Het zijn van één persoon, het leiden van één leven, maakt me verdrietig, het is zo beperkt, en dus schrijf ik mezelf er meer. Ieder personage ken ik. Ieder personage ben ik. Ik kom overal vandaan. Ik ga overal naartoe. Reden 1.

Reden 2. Er zijn schrijvers die menen dat verhalen rondfladderen en zoeken naar hun schrijver, degene die ze optekent en recht doet. En hoewel ik niet een van die schrijvers ben, begrijp ik denk ik waar dat geloof vandaan komt. Het is soms onvoorstelbaar hoe een verhaal waaraan je werkt, waaraan je tot waanzin toe werkt, op een bepaald moment in elkaar blijkt te schuiven als een puzzel. Hoe de thema’s die je erin wilde verwerken, op veel meer punten opduiken dan je er bewust in hebt gestopt. Dat zijn fantastische momenten. Momenten dat je weet dat je het goede verhaal hebt opgeschreven. En gek genoeg voelt het tegelijk minder als jouw verhaal. Het is een stukje buiten je om gegaan, lijkt het. Maar toch denk ik niet dat het verhaal ergens rondzweefde en mij uitkoos als zijn gewillige medium. Ik denk dat ik het meer moet zoeken in mijn onderbewuste. Ik denk dat mijn onderbewuste slimmer is, creatiever is, vindingrijker is dan ik. Ik denk dat dat bij iedereen zo is. Ik denk dat lezen, het proces van figuurtjes, die letters worden, die woorden worden, die zinnen worden, die verhalen worden, die werelden worden, gedeeltelijk plaatsvindt in je onderbewuste. En daarmee is het mijn onderbewuste dat jouw onderbewuste vermaakt, verblijdt, verdriet, verbaast, verandert. Het is mijn connectie met jou zonder dat ik je ooit gezien heb. Wij smeden een verbond. Het is het intiemste wat ik met je deel. Reden 2.

Reden 3. In het diepst van mijn gedachten ben ik een oproerkraaier. Een klokkenluider. Een wereldverbeteraar. Een betoger. Ik loop marsen en houd mijn spandoek hoog. Ik scandeer leuzen. Ik maak me zorgen. Schrijf ik om iets te veranderen? Om een lont aan te steken? Iemand bewust te maken? Ja. Verstopt in mijn inkt zitten piepkleine megafoontjes. Piepfoontjes, zo je wilt. Ik fluister er doorheen. Kun je me horen? Reden 3.

Reden 4. Soms klikt het wel gelijk tussen mij en het verhaal. Zo’n ochtend dat zelfs de directe bevrediging van een paar minuten op Facebook mij niet kan weerhouden van het enige wat ik wil doen. Het enige wat er op dat moment toe doet: het scheppen van dit verhaal. Het scheppen van de waarheid. Mijn bijdrage aan de wereld. Dit is de belangrijkste reden waarom ik schrijf: om niet dood te gaan. Hoe word je onsterfelijk? Het beste antwoord dat ik je kan geven is dit: maak iets.

Maak dingen. Maak mooie boeken, maak mooie kinderen. Maak een tafel waar je achterkleinkinderen aan zullen eten. Maak een surprise. Maak een tijdcapsule, begraaf hem diep in de grond. Maak een gezellig huis. Maak een auto die rijdt op co2. Maak je hart open voor de haters. Laat ze naar binnen kijken, laat ze er niet in. Maak nuance. Maak je op. Maak een sneeuwvrij pad voor je buurman. Maak sneeuwballen voor de kinderen uit de straat. Maak herinneringen. Maak vuur. Maak een reis met je vader. Maak een boekenplank. Maak een trui. Maak je agenda leeg voor een vriend. Maak thee. Maak een grapje. Maak iets los. Maak een brug naar Afrika. Maak hem stevig. Maak soep. Maak liedjes. Maak een kaart. Maak een toren. Maak foto’s. Maak lawaai. Maak duidelijk. Maak spekkoek tot het is gelukt. Maak een bed op. Maak een lichtje. Maak tijd. Maak van je lichaam een holletje. Maak een verhaal.

Het zijn allemaal verhalen. Als je goed kijkt zie je ze overal. In de rituelen met je kind, in die vakantie in je eentje. In de kaart aan je buurvrouw. In het spandoek. In het plotselinge idee tijdens de brainstorm. In het verzinsel. Maak verhalen. Het is wat de wereld nodig heeft en het is wat jij nodig hebt om onsterfelijk te worden.

Mijn dochter is acht. Ze schrijft boeken. Mijn zoon is vijf. Hij kan ‘vis’ lezen. Ik ben zo trots. Ze zijn onsterfelijk aan het worden.

 

Deze column is geschreven voor en voorgedragen bij Kamera Kultura in het Nutshuis in Den Haag op 28 januari 2018. Vervolgens verscheen hij in het AD Magazine op 10 maart 2018.

Nice to have

Ja, hoor eens, dacht Helga, het was toch gewoon waar? Yvonne had het tijdens de MR-vergadering met eigen oren gehoord en als je Yvonne al niet meer kon geloven… Trouwens, waar het maar om ging, Harold zat fout, niet zij. Al die vrouwen over wie hij opschepte. Hij had zelfs over Katinka gezegd: ‘nice to have’.

Helga had juist gewezen op wat híj verkeerd had gedaan. Het belang van Els en de kinderen boven haar eigen belang gesteld, want laten we wel wezen, áls het uitkwam dat Helga het niet zelf gehoord had, maakte ze geen betrouwbare indruk. Ze was toen gewoon nog niet zo belangrijk als nu, met haar zetel in de MR. Ze had het toen helemaal niet kúnnen horen, want ze had niet bij het gesprek in de leraarskamer mogen zijn. Zij moest in de aula ernaast versieringen ophangen. Ze zat toen nou eenmaal in de feestcommissie. Maar Yvonne had het haar later verteld. Yvonne kon het zelf natuurlijk niet naar buiten brengen, dat was duidelijk, dan zou ze haar vertrouwenspositie ten opzichte van Harold verliezen. Dus offerde Helga zich op. Logisch toch? Els zou haar wel eventjes mogen bedanken voor zo’n vriendelijk staaltje altruïsme.

En zelfs MR-voorzitter Merel vond het geen halszaak. Héél wat anders dan het gelieg van Harald, had zij gezegd. Merel was wars van liegen. Een paar maanden geleden had ze nog een hele anti-leugencampagne op touw gezet. Zíj stond aan Helga’s kant.

Maar ja, toen het uitkwam moest Yvonne zo nodig beweren dat Harold het over vroeger had gehad. Ja, vroeger, vóór Els, toen was hij met verschillende vrouwen in de weer. Yvonne zei dat Helga het verkeerd had begrepen. En daar ga je dan. Eén leugentje om bestwil. Eén leugentje om de echte vuilak erbij te lappen en men valt over je heen. Kutschool. Nou, ze bekeken het maar. Helga was goed in wat ze deed. Ze was niet voor niets in de MR gekozen.

Het was natuurlijk wel een beetje onfortuinlijk dat Helga bij de volgende MR-vergadering niet meer serieus zou worden genomen. Dat ze in een achterkamertje zou moeten wachten tot Harald en Yvonne alle agendapunten hadden besproken en een fles wodka soldaat hadden gemaakt. Dat zou niet zo’n fraaie indruk maken. Maar goed. Ze kon altijd nog zeggen dat ze er wél bij was geweest.

Vitamini

De Lidl besloot een AH-actie te doen. Voor iedere tien euro krijg je één sticker en na vijftien stickers mag je een Vitamini uitzoeken: een knuffel in de vorm van groenten en fruit. Ik kan je zeggen dat ik nog niet zover ben met sparen. De reden dat ik naar de Lidl ga is juist omdat ze goedkoop zijn. De kans lijkt me dan ook groot dat mijn kinderen over een maand één pluizige aubergine moeten delen. Niks geen extra spaarzegels bij drie zakken Aleto-noten of een 6-pak Saskia-water. Honderdvijftig euro. Anders geen Vitamini.

Het leek me in de eerste instantie een sympathiek idee van de Lidl: knuffels van groenten en fruit. Misschien dachten ze: kinderen zullen zo dol zijn op hun groenten- en fruitknuffels dat ze meer groenten en fruit gaan éten. Maar toen ik er dieper over na ging denken, zag ik twee problemen met deze aanname.

Ten eerste is het natuurlijk helemaal niet Lidls bedoeling dat mijn kinderen meer groenten en fruit gaan eten. Het is Lidls bedoeling dat ik meer geld uitgeef in de Lidl. Wat ze ook lukt, omdat ik van mijn kinderen hou. (Damn, wat hebben ze goed opgelet bij het vak Verbanden tussen Materialisme en Ouderliefde in de 21e eeuw.) Dus koop ik opeens wél dingen uit de koopjesbak met (toch nog) prijzige dingen die handig lijken, maar je niet echt nodig hebt. De bak die de Blokker in het klein is. Het schreeuwt terwijl je langsloopt: lifehack, lifehack! Dit heb je nodig! Als je deze spaghettimaker hebt ga je vanzelf spaghetti maken, zonder moeite! Heus! Had je nog geen voorraadpotten met retrodesign? What the fuck!? Die zouden zo goed staan in je keuken! Hier word je blij van, kijk nou toch! Je oordeelsvermogen is aangetast door de noodzaak van het verkrijgen van minstens vijftien stickers en door de vrolijke vitamini’s die op de meest verrassende plaatsen in de rekken hangen om je aan te staren met hun olijke groentenogen en je rondje supermarkt tot één groot boodschappenfeest maken. Je gaat er warempel zelf in geloven: groenten zijn écht leuk; kijk nou!

Ten tweede, stel dát het de CEO’s van Lidl echt aan het hart gaat dat kinderen meer groenten en fruit gaan eten, dan gaat dat zo dus mooi niet lukken. Als je een kind wil bewegen om meer koeienvlees te eten, geef je hem dan een koeienknuffel? (Mijn kinderen komen om in de dierenknuffels. Misschien eten we daarom allemaal geen dieren.) Als je wilt dat je dochter de smaak van konijnenvlees leert kennen, geef je haar dan om haar enthousiast te maken een konijntje voor haar verjaardag? Zodat ze ermee kan kroelen en knuffelen in de hoop dat het konijntje gedachten in haar zal laten opkomen als: ik ben heel gezond. En lief. Zó lief! Ik ben om óp te eten. Zou het niet heerlijk zijn om mij op te eten?

Eigenlijk verwacht ik het tegenovergestelde effect. De knuffel die hier in huis komt, zal nooit meer op een bord verschijnen, in welke gedaante dan ook. Daarom gaat het een aubergine worden. Lusten we allemaal toch niet. En dan gaan we een heel groot auberginefeest vieren en alle lieve aubergines uit de buurt zijn uitgenodigd. Leve de aubergine, zullen mijn kinderen zingen. Leve de aubergine en leve de Lidl!

Stukjes wereld

Mijn schoonmaakster noemt zichzelf interieurverzorgster. Mijn schoonzus noemt haar werkster. Het bureau waar we haar vonden noemt haar de hulp.

Ze zegt dat ze het leuk vindt, schoonmaken. Ze vertelt dat haar handen gaan jeuken als iets vies is. Leuk is een boek lezen in de zon met een grote kop koffie. Het wegpoetsen van de onrust die je voelt bij het zien van stof is niet leuk; hooguit een prettige opluchting.

Ik hou ook niet van stof. Gelukkig kan ik het meestal goed negeren. De snelheid waarmee nieuwe stof zich na het schoonmaken in je vloerkleed, op je boeken en onder je kasten vleit is onbevattelijk. Het maakt stoffen tot het meest extreme voorbeeld van het perpetuum mobile van het huishouden.

Ik lees een oud artikel van Trouw over stof. Ik ben erop gekomen omdat ik me afvroeg wat het nou eigenlijk was en waarom het altijd binnen ligt, maar niet buiten. Stof, zo meldt het artikel uit 2008, zijn flintertjes uit elkaar gevallen materie. En dat kan van alles zijn. Je eigen huidschilfers en haren bijvoorbeeld, maar ook eten, boeken, planten. Alles valt langzaam, heel langzaam uit elkaar.

En ik heb me vergist, want ook buiten valt stof, het ziet er alleen anders uit. Het is stof van zout uit de zee, van zand uit de woestijnen, stuifmeel, schimmels, verkeersroet. Buitenstof hoef je niet weg te poetsen: dat waait wel weer over. De tuin van je buren in, de straat op, terug naar zee. Een heel klein beetje van al dat buitenstof is stof van asteroïden en kometen; ruimtestof. Heel, heel langzaam valt ook de ruimte uit elkaar.

Hoe meer ik erover lees, hoe meer waardering ik krijg voor al dat stof. Het is geen vieze troep, het wás ooit iets. Het zijn heel kleine stukjes wereld. Ooit maakte het deel uit van iets groters, zoals mijn huis deel uitmaakt van mijn straat en zoals de wereld deel uitmaakt van het heelal.

Tijdens het schoonmaken verplaats je het stof naar de emmer met sop, naar het riool, naar de zee, zodat het, inderdaad, weer bij je terug kan komen.

Mijn interieurverzorgster wast een stukje ruimte van het raam. Haar handen jeuken.

Onbegrensde moeilijkheden

Als ik een metafoor was, was ik een tuinman. Ik was gespecialiseerd in doolhoven. Ik stond er vaak middenin een beetje te snoeien en te zaaien. Het was er groen en weelderig. Mooie hagen, de meeste. En als je een hoek omsloeg zou je opeens een verweerd beeld zien, zo’n klassieke, van een hoofd. Daar had ik mijn doolhof omheen gemaakt. Misschien was het mijn eigen hoofd. Het keek heel intensief blanco, ogen van steen. Vogelschijt op de neus.

Onbegrensde mogelijkheden, zo’n doolhof. Dat was wat me erin aantrok. Ik zou me erin wagen, iedere keer weer. Dit keer zou ik een jongetje aantreffen, een jaar of acht. Verdwaald denk ik, huilend. Dat past wel in zo’n doolhof. En een grote beuk. Misschien had die ook wel een functie. Ik wist dat de enige manier om een doolhof te maken was te werken van binnen naar buiten en van buiten naar binnen tegelijkertijd. Dat klinkt ondoenlijk, en dat is het ook. Zoiets als jezelf aan je haren uit drijfzand trekken.

Toen het doolhof bleef uitdijen, nam stress plots bezit van me. Verhoogde hartslag, licht misselijk, kriebelzweet. Er stond heel wat op het spel. Ik had het doolhof zelf aangeplant. Dat was in eerste instantie makkelijker dan het leek, toen het groeide bleek het moeilijker, toen weer even makkelijker, en toen was ik –  middenin – verdwaald. Ik vreesde een en ander te moeten kappen. Ik had immer mijn elektrische heggenschaar in mijn binnenzak. Geen stopcontact benodigd, hij zou werken op een accu. (Dat blijkt überhaupt het beste voor mij, want ik snij nogal vaak mijn eigen snoeren door.) Het kon dus wel, kappen. Alles kan. Maar ik wilde het niet. Want wat zou ik overhouden? Dat viel niet te voorspellen. Ik bevond me zo middenin het struikgewas, dat niet te zeggen was wat voor lelijk gat ik erin zou moeten slaan om er weer uit tevoorschijn te komen.

Ik probeerde uit alle macht een stukje boven de haag uit te kijken. Het mooiste zou zijn om het van bovenaf te bezien. De ingang en de uitgang, mijn positie, de plaats waar ik het beeld aantrof, de grote beuk, het huilende jongetje. Maar het lukte me maar niet. Ik had een trap. Ergens – een dag of wat geleden – stond een trap in het doolhof. Ik was erop naar boven geklommen en had uitzicht over de door mij geplante hagen. Ik zag dat er nog een klein stukje veranderd moest worden. In het hoekje, vlakbij de uitgang was iets de verkeerde kant op gegroeid. Een beetje bijknippen, wat herplanten, dat moest ik doen. Ik ging op weg en vergat mijn trap. Ik kwam, ik hakte en snoeide en toen ik klaar was keek ik om me heen, maar ik herkende niets meer. Welke kant moest ik uit? Waar was de uitgang gebleven? Mijn trap? Alles? Dus zou ik daar zitten, te midden van mijn verknipte planten. Ik kon niet meer zien of het mooi geworden was, of het paste bij de rest van mijn hof.

Ik ging op de grond liggen, keek op naar de hemel. Er zouden wolken voorbijdrijven. Ergens zou er nog een buiten zijn.

Iets met zon en mensen

Iedereen dacht dat de zomer nu echt begonnen was. ´s Ochtends vroeg was het al warm genoeg om in een t-shirt naar buiten te gaan en je kon aan de lucht zien dat het zo’n dag ging worden die heel lang duurt. Ik kwam de AH to go uit waar ik alvast mijn lunch had gehaald, voor als ik aan het werk was in de bibliotheek. Ik had dorst en verlangde naar een kop koffie. Terwijl ik mijn fiets van het slot poogde te prutsen, stapte een breed glimlachende jonge vrouw op mij af en zei: ‘Goedemorgen!’

Wat? dacht ik. Wat probeert ze te verkopen? Waarvoor moet ik geld geven? Moet ik lid worden van de Postcode Loterij? Donateur van het Astmafonds? War Child? Ik ga het niet doen. Ik beslis nu, van te voren en op tijd: ik doe het niet. Ik laat me niet dwingen door het onverwachte van het moment. Ik ben mijn eigen baas. Mijn. Eigen. Baas.

Toen zag ik dat de vrouw een flodderig papiertje en een rood bolletje in haar hand had. O god, het was een microfoon. Nee, ik doe het niet, dacht ik. Wat het ook is, ik doe het niet. Haar wangen glommen in de zon.

‘Lekker hè, dat weer?’ vroeg ze retorisch terwijl ze me in de val lokte door het te laten toeschijnen dat ze niets van me wilde, behalve een gesprekje over het weer.

Ik doe het niet, dacht ik. Ik knikte. Ik geloof dat ik ook glimlachte, want dat doe ik altijd als ik denk dat mensen dat verwachten.

‘Ik ben van radio M en ik praat vandaag met mensen op straat over het weer, voor bij het weerblokje.’

Opgelet nu. Ze gaat vragen of ik eraan mee wil werken. Nee dus, nee.

Ze frommelde iets bij de rode bal en stak hem tussen ons in. ‘Wat doet dat me je, dat mooie weer?’

Wat, dacht ik. Wát? Zijn we begonnen? Interviewt ze me nu – over het weer – terwijl ik dat niet wil? Zonder dat ze me gevraagd heeft óf ik wel wil? Dat kan niet. Ze moet het zo nog vragen, wist mijn brein. Achteraf. Maar intussen moest ik iets zeggen. Al hoefde dat natuurlijk helemaal niet.

‘Ik word er wel vrolijk van,’ zei ik nietszeggend. Ik vroeg me af wat ik nog meer kon zeggen. Iets leuks. Iets origineels. Ik wist niks.

‘Waarom dan?’ probeerde de vrouw, ‘wat zie je om je heen?’

‘Vrolijke mensen,’ zei ik, al kon ik me niet herinneren dat ik vandaag iemand had gezien die vrolijk was. Ik kon me niets herinneren. Zon en mensen, dacht ik steeds. Iets met zon en mensen. Kom op. ‘Iedereen wordt vrolijker van het weer.’ Kul. Kon ik niks beters verzinnen dan dit? ‘Lachende mensen op terrasjes,’ zei ik debiel.

‘Mooi,’ zei ze. ‘Het staat erop. Dank je wel. Vanmiddag komt er een stukje van op de radio.’ Ze huppelde weg naar een ander mens dat glimlachte.

Ze ging me natuurlijk niet meer vragen óf ik wel op de radio wilde. Ik stond nog met mijn fietssleutel in de hand, mijn hersens blind tastend naar een verklaring en zag in de etalageruit hoe mijn glimlach weggleed. Niet alleen was ik tegen mijn wil lid geworden van de Postcode Loterij, ook had ik een werkelijk nietszeggend onpersoonlijk kutgesprek gevoerd met de verkoopster. En het allerergst: ik had vrolijk naar haar geglimlacht.

Ik stapte op mijn fiets en reed over de gracht naar de bibliotheek. Onderweg kwam ik langs een terras. Er zaten allemaal mensen in de zon te glimlachen.

Gelukkig was het in elk geval een kutinterview geworden.

De andere mensen

Je hebt iets gemeen met de mensen waarmee je gelijktijdig op hetzelfde bungalowpark verblijft, maar je komt er nooit achter. Het is een ongemakkelijk erkennen van elkaar, want het zijn altijd die ‘andere’ mensen. Mensen die iedere dag barbecueën, ook met vijftien graden, omdat het nou eenmaal vakantie is. Het zijn mensen die vanaf vier uur op het terras van hun huisje gaan staan bier drinken en chips eten. Als je ze tegenkomt onderweg naar de receptie of het parkeerterrein, hebben ze een lichtblauwe polo aan en een korte broek. Ze hebben een iets te dikke buik en iets te dikke armen. Als ze kinderen bij zich hebben, zijn zij ook iets te dik. Ze knikken naar je en jij knikt terug. Maar je lacht niet naar elkaar. Het is de bungalowparketiquette. Jullie zijn gewoon te anders. Jij weet het en zij weten het. Jullie hoeven niet bevriend te raken. Jullie hoeven niet te doen alsof dat een mogelijkheid zou zijn. Jullie hoeven zelfs niet eens met elkaar te praten, al kwam je samen vast te zitten in het draaipoortje van het zwembad.

Elkaar toeknikken, that’s it. Meer zou awkward zijn. De stilzwijgende afspraak verbroken. Je grondhouding zou uit balans raken en je zou kunnen gaan denken dat deze mensen misschien wel leuk zijn om mee te borrelen. Misschien dat hun zoontje Michael zijn nerfgun wel zou willen demonstreren aan jouw kinderen. Je zou misschien samen kunnen gaan eten. De vrouwen samen in de keuken – nee hoor dat is niet rolbevestigend, dat vinden we gewoon niet erg – voor een grote pan elleboogjespasta met tomatensaus omdat jouw jongste niks anders lust, en de mannen op het terras met bier en jouw kinderen die angstvallig met elkaar spelen en Michael die ze stiekem knijpt.

Maar er zouden ongemakken ontstaan. Kleine scheurtjes in de gezelligheid. Jullie zijn ook niet vies van een drankje, maar de polo krikt ieder halfuur een nieuw flesje bier open. En zijn vrouw heeft de gewoonte om aan alles wat ze zegt toe te voegen: ‘dus ja.’ Het blijkt dat Michael altijd een magnum krijgt na het eten. En hij mag zo laat opblijven als hij wil, waardoor jouw kinderen als je roept dat het nu echt bedtijd is verschrikkelijke monsters worden en je je voor ze schaamt, en je vooral schaamt voor jezelf, alsof ze dit iedere avond doen en jij een slechte ouder bent, maar dat is niet zo, want het komt door hén, en door hun ijsetende, oververmoeide, iets te dikke zoon die probeert de eekhoorntjes te raken met zijn nerfgun.

De volgende dag is de relatie bekoeld. Zij weten het en jullie weten het. Als jullie elkaar toevallig treffen voor de receptie bij het vertrek staan jullie in stille paniek achter elkaar in de rij. Dit nooit meer, denk je als je in de auto stapt. Zij rijden eerst door de slagbomen. Jullie toeteren niet eens naar elkaar. Het is te pijnlijk. Helaas moeten jullie op de provinciale weg nog een tijdje dezelfde kant op. In de auto zijn jullie stil. Tot de afslag Druten zit Michael omgekeerd op de achterbank met zijn nerfgun door de achterruit op jullie gericht.

Dat is mei

Ik was bij een marathonlezing. Zeven uur lang, af en toe even pauze. Het heldendicht Mei van Herman Gorter was in stukken gehakt en de stukjes werden door honderd mensen, evenzoveel als het boek rijk is aan bladzijden, geproclameerd. Het was een bloedhete dag, in mei. Op de boerderij waar Mei werd voorgedragen was weinig schaduw. Alle stoelen stonden in de bleke zon, afwachtend naar de microfoon gekeerd, waar geen einde kwam aan de rij dichters, schrijvers, recensenten, journalisten en literatuurkenners die een bladzijde zouden voordragen. Op de stoelen zaten mensen. Ze bewogen nauwelijks; ze luisterden. Het was ook te warm om je te bewegen. Om hen heen trilden insecten. Het was mei ten voeten uit, hoewel een warme, en dat paste uitstekend bij het onderwerp van het gedicht: de natuur in mei.

Ieder die zich voor een minuut of drie achter de microfoon verschanste gaf de tekst weer een andere lading. Sommigen lazen ingetogen, bedaard, lieten de rijm aan het toeval over, anderen spraken gedragen, verrukt bijna, alsof het gedicht hen eigen was, ze de regels bloedden. Het trok het gedicht uit de vlakte van één stem, uit de monotonie, in het gegons van de dag.
Aan de andere kant van het hek woonden een paar kippen en een haan. Hanen zijn curieuze wezens. Alles wat men zegt over hanen, blijkt altijd weer waar. Dit in tegenstelling tot wat men bijvoorbeeld zegt over ezels, varkens en krokodillen, die in de praktijk bijna altijd respectievelijk slim, slim en dodelijk lui zijn. Hanen zijn luidruchtige branies en hebben een zelfverzekerdheid die werkelijk op niets is gebaseerd.

Ook deze haan, die besloten had de kalme lezing eens goed te verstoren door tussen de balken van het hek door te struikelen en samen met twee van zijn kippen in de nabijheid van de microfoon te komen scharrelen. De kippen tokten daarbij bescheiden, zich heel behaaglijk wentelend in hun rol in de patriarchale pluimvee-samenleving, maar de haan wilde – uiteraard – stampij maken.
Ik zat in het raamkozijn van de boerderij op mijn beurt te wachten en vroeg me af of de vliegenpoepjes die op het kozijn zaten nu misschien op mijn broek zouden zitten, en zo ja: of je ze dan zou kunnen zien. Ik moest bladzijde 34 lezen, en ik had erop geoefend. In het raamkozijn was schaduw en ik voelde mijn hartslag dalen terwijl ik mijn blote tenen uitstrekte in de zon en mijn warme handen tegen het koele glas hield.

Bladzijde 32. Bladzijde 33. Ik was aan de beurt. Ik liep op het podium toe en begon aan mijn bladzijde. De roep van de haan werd luider. Natuurlijk. Natuurlijk ging hij wel even de aandacht opeisen. Want alles draait toch immers altijd om de haan? Waarom zou de haan niet het allerbelangrijkste, het schreeuwende centrum van de wereld zijn? Hij had toch niet voor niets een zwik kippen om zich heen flutteren die zich maar al te graag liet degraderen tot zijn persoonlijke gevolg?

Het lezen ging niet zo vloeiend meer. Ik zweette zonnebrandcrème. De haan kakelde luid. Ik keek in zijn zwartkolkende oogjes, zo diepdonker als het wezen van iedere vogel, van alles dat de aarde van boven ziet, en ik begreep het. De haan wilde niks verstoren. Hij kwam iets toevoegen.
Was niet het enige dat de haan wilde, ons laten weten dat mei ook anders klonk? Dat mei ook kon klinken naar kippenstront en vliegenpoep? Dat mei niet louter bijen en bloemen en dauwdruppels was? Dat mei misschien wel het voorkomen had van een vreugdevolle maand, de lente in optima forma, maar dat in de natuur niks vreugdevol was? Dat de natuur gewoon wás, en wij als mens er iets van wilden maken?

Terwijl de haan door mijn bladzijde gilde en ik zonnebrand proefde, voelde ik de zon haar handen op mijn schouders leggen.

De haan vervoegde zich weer achter het hek. De kippen bleven nog even. Ook dat is mei.