Iets met zon en mensen

Iedereen dacht dat de zomer nu echt begonnen was. ´s Ochtends vroeg was het al warm genoeg om in een t-shirt naar buiten te gaan en je kon aan de lucht zien dat het zo’n dag ging worden die heel lang duurt. Ik kwam de AH to go uit waar ik alvast mijn lunch had gehaald, voor als ik aan het werk was in de bibliotheek. Ik had dorst en verlangde naar een kop koffie. Terwijl ik mijn fiets van het slot poogde te prutsen, stapte een breed glimlachende jonge vrouw op mij af en zei: ‘Goedemorgen!’

Wat? dacht ik. Wat probeert ze te verkopen? Waarvoor moet ik geld geven? Moet ik lid worden van de Postcode Loterij? Donateur van het Astmafonds? War Child? Ik ga het niet doen. Ik beslis nu, van te voren en op tijd: ik doe het niet. Ik laat me niet dwingen door het onverwachte van het moment. Ik ben mijn eigen baas. Mijn. Eigen. Baas.

Toen zag ik dat de vrouw een flodderig papiertje en een rood bolletje in haar hand had. O god, het was een microfoon. Nee, ik doe het niet, dacht ik. Wat het ook is, ik doe het niet. Haar wangen glommen in de zon.

‘Lekker hè, dat weer?’ vroeg ze retorisch terwijl ze me in de val lokte door het te laten toeschijnen dat ze niets van me wilde, behalve een gesprekje over het weer.

Ik doe het niet, dacht ik. Ik knikte. Ik geloof dat ik ook glimlachte, want dat doe ik altijd als ik denk dat mensen dat verwachten.

‘Ik ben van radio M en ik praat vandaag met mensen op straat over het weer, voor bij het weerblokje.’

Opgelet nu. Ze gaat vragen of ik eraan mee wil werken. Nee dus, nee.

Ze frommelde iets bij de rode bal en stak hem tussen ons in. ‘Wat doet dat me je, dat mooie weer?’

Wat, dacht ik. Wát? Zijn we begonnen? Interviewt ze me nu – over het weer – terwijl ik dat niet wil? Zonder dat ze me gevraagd heeft óf ik wel wil? Dat kan niet. Ze moet het zo nog vragen, wist mijn brein. Achteraf. Maar intussen moest ik iets zeggen. Al hoefde dat natuurlijk helemaal niet.

‘Ik word er wel vrolijk van,’ zei ik nietszeggend. Ik vroeg me af wat ik nog meer kon zeggen. Iets leuks. Iets origineels. Ik wist niks.

‘Waarom dan?’ probeerde de vrouw, ‘wat zie je om je heen?’

‘Vrolijke mensen,’ zei ik, al kon ik me niet herinneren dat ik vandaag iemand had gezien die vrolijk was. Ik kon me niets herinneren. Zon en mensen, dacht ik steeds. Iets met zon en mensen. Kom op. ‘Iedereen wordt vrolijker van het weer.’ Kul. Kon ik niks beters verzinnen dan dit? ‘Lachende mensen op terrasjes,’ zei ik debiel.

‘Mooi,’ zei ze. ‘Het staat erop. Dank je wel. Vanmiddag komt er een stukje van op de radio.’ Ze huppelde weg naar een ander mens dat glimlachte.

Ze ging me natuurlijk niet meer vragen óf ik wel op de radio wilde. Ik stond nog met mijn fietssleutel in de hand, mijn hersens blind tastend naar een verklaring en zag in de etalageruit hoe mijn glimlach weggleed. Niet alleen was ik tegen mijn wil lid geworden van de Postcode Loterij, ook had ik een werkelijk nietszeggend onpersoonlijk kutgesprek gevoerd met de verkoopster. En het allerergst: ik had vrolijk naar haar geglimlacht.

Ik stapte op mijn fiets en reed over de gracht naar de bibliotheek. Onderweg kwam ik langs een terras. Er zaten allemaal mensen in de zon te glimlachen.

Gelukkig was het in elk geval een kutinterview geworden.

De andere mensen

Je hebt iets gemeen met de mensen waarmee je gelijktijdig op hetzelfde bungalowpark verblijft, maar je komt er nooit achter. Het is een ongemakkelijk erkennen van elkaar, want het zijn altijd die ‘andere’ mensen. Mensen die iedere dag barbecueën, ook met vijftien graden, omdat het nou eenmaal vakantie is. Het zijn mensen die vanaf vier uur op het terras van hun huisje gaan staan bier drinken en chips eten. Als je ze tegenkomt onderweg naar de receptie of het parkeerterrein, hebben ze een lichtblauwe polo aan en een korte broek. Ze hebben een iets te dikke buik en iets te dikke armen. Als ze kinderen bij zich hebben, zijn zij ook iets te dik. Ze knikken naar je en jij knikt terug. Maar je lacht niet naar elkaar. Het is de bungalowparketiquette. Jullie zijn gewoon te anders. Jij weet het en zij weten het. Jullie hoeven niet bevriend te raken. Jullie hoeven niet te doen alsof dat een mogelijkheid zou zijn. Jullie hoeven zelfs niet eens met elkaar te praten, al kwam je samen vast te zitten in het draaipoortje van het zwembad.

Elkaar toeknikken, that’s it. Meer zou awkward zijn. De stilzwijgende afspraak verbroken. Je grondhouding zou uit balans raken en je zou kunnen gaan denken dat deze mensen misschien wel leuk zijn om mee te borrelen. Misschien dat hun zoontje Michael zijn nerfgun wel zou willen demonstreren aan jouw kinderen. Je zou misschien samen kunnen gaan eten. De vrouwen samen in de keuken – nee hoor dat is niet rolbevestigend, dat vinden we gewoon niet erg – voor een grote pan elleboogjespasta met tomatensaus omdat jouw jongste niks anders lust, en de mannen op het terras met bier en jouw kinderen die angstvallig met elkaar spelen en Michael die ze stiekem knijpt.

Maar er zouden ongemakken ontstaan. Kleine scheurtjes in de gezelligheid. Jullie zijn ook niet vies van een drankje, maar de polo krikt ieder halfuur een nieuw flesje bier open. En zijn vrouw heeft de gewoonte om aan alles wat ze zegt toe te voegen: ‘dus ja.’ Het blijkt dat Michael altijd een magnum krijgt na het eten. En hij mag zo laat opblijven als hij wil, waardoor jouw kinderen als je roept dat het nu echt bedtijd is verschrikkelijke monsters worden en je je voor ze schaamt, en je vooral schaamt voor jezelf, alsof ze dit iedere avond doen en jij een slechte ouder bent, maar dat is niet zo, want het komt door hén, en door hun ijsetende, oververmoeide, iets te dikke zoon die probeert de eekhoorntjes te raken met zijn nerfgun.

De volgende dag is de relatie bekoeld. Zij weten het en jullie weten het. Als jullie elkaar toevallig treffen voor de receptie bij het vertrek staan jullie in stille paniek achter elkaar in de rij. Dit nooit meer, denk je als je in de auto stapt. Zij rijden eerst door de slagbomen. Jullie toeteren niet eens naar elkaar. Het is te pijnlijk. Helaas moeten jullie op de provinciale weg nog een tijdje dezelfde kant op. In de auto zijn jullie stil. Tot de afslag Druten zit Michael omgekeerd op de achterbank met zijn nerfgun door de achterruit op jullie gericht.

Dat is mei

Ik was bij een marathonlezing. Zeven uur lang, af en toe even pauze. Het heldendicht Mei van Herman Gorter was in stukken gehakt en de stukjes werden door honderd mensen, evenzoveel als het boek rijk is aan bladzijden, geproclameerd. Het was een bloedhete dag, in mei. Op de boerderij waar Mei werd voorgedragen was weinig schaduw. Alle stoelen stonden in de bleke zon, afwachtend naar de microfoon gekeerd, waar geen einde kwam aan de rij dichters, schrijvers, recensenten, journalisten en literatuurkenners die een bladzijde zouden voordragen. Op de stoelen zaten mensen. Ze bewogen nauwelijks; ze luisterden. Het was ook te warm om je te bewegen. Om hen heen trilden insecten. Het was mei ten voeten uit, hoewel een warme, en dat paste uitstekend bij het onderwerp van het gedicht: de natuur in mei.

Ieder die zich voor een minuut of drie achter de microfoon verschanste gaf de tekst weer een andere lading. Sommigen lazen ingetogen, bedaard, lieten de rijm aan het toeval over, anderen spraken gedragen, verrukt bijna, alsof het gedicht hen eigen was, ze de regels bloedden. Het trok het gedicht uit de vlakte van één stem, uit de monotonie, in het gegons van de dag.
Aan de andere kant van het hek woonden een paar kippen en een haan. Hanen zijn curieuze wezens. Alles wat men zegt over hanen, blijkt altijd weer waar. Dit in tegenstelling tot wat men bijvoorbeeld zegt over ezels, varkens en krokodillen, die in de praktijk bijna altijd respectievelijk slim, slim en dodelijk lui zijn. Hanen zijn luidruchtige branies en hebben een zelfverzekerdheid die werkelijk op niets is gebaseerd.

Ook deze haan, die besloten had de kalme lezing eens goed te verstoren door tussen de balken van het hek door te struikelen en samen met twee van zijn kippen in de nabijheid van de microfoon te komen scharrelen. De kippen tokten daarbij bescheiden, zich heel behaaglijk wentelend in hun rol in de patriarchale pluimvee-samenleving, maar de haan wilde – uiteraard – stampij maken.
Ik zat in het raamkozijn van de boerderij op mijn beurt te wachten en vroeg me af of de vliegenpoepjes die op het kozijn zaten nu misschien op mijn broek zouden zitten, en zo ja: of je ze dan zou kunnen zien. Ik moest bladzijde 34 lezen, en ik had erop geoefend. In het raamkozijn was schaduw en ik voelde mijn hartslag dalen terwijl ik mijn blote tenen uitstrekte in de zon en mijn warme handen tegen het koele glas hield.

Bladzijde 32. Bladzijde 33. Ik was aan de beurt. Ik liep op het podium toe en begon aan mijn bladzijde. De roep van de haan werd luider. Natuurlijk. Natuurlijk ging hij wel even de aandacht opeisen. Want alles draait toch immers altijd om de haan? Waarom zou de haan niet het allerbelangrijkste, het schreeuwende centrum van de wereld zijn? Hij had toch niet voor niets een zwik kippen om zich heen flutteren die zich maar al te graag liet degraderen tot zijn persoonlijke gevolg?

Het lezen ging niet zo vloeiend meer. Ik zweette zonnebrandcrème. De haan kakelde luid. Ik keek in zijn zwartkolkende oogjes, zo diepdonker als het wezen van iedere vogel, van alles dat de aarde van boven ziet, en ik begreep het. De haan wilde niks verstoren. Hij kwam iets toevoegen.
Was niet het enige dat de haan wilde, ons laten weten dat mei ook anders klonk? Dat mei ook kon klinken naar kippenstront en vliegenpoep? Dat mei niet louter bijen en bloemen en dauwdruppels was? Dat mei misschien wel het voorkomen had van een vreugdevolle maand, de lente in optima forma, maar dat in de natuur niks vreugdevol was? Dat de natuur gewoon wás, en wij als mens er iets van wilden maken?

Terwijl de haan door mijn bladzijde gilde en ik zonnebrand proefde, voelde ik de zon haar handen op mijn schouders leggen.

De haan vervoegde zich weer achter het hek. De kippen bleven nog even. Ook dat is mei.

Dít boek. Voor de wereld.

Mijn schoonmaakster was al weken op vakantie en ik besloot eens een kijkje te nemen achter de bank. Ik vond allerhande schatten die jonge ouders vinden als ze achter de bank kijken: een onverklaarbaar plakkerige stuiterbal in een wolkje pluis, het cruciale schroefje van een autootje dat het daarom niet meer deed en dat allang door de vuilniswagen was meegenomen, iets wat waarschijnlijk ooit een snoepje was geweest en ook: mijn lievelingsboek.

Het had fonkelmooi op mijn vensterbank gestaan tussen andere fijne uitstalboeken, maar nu lag het met een dikke vouw over de eerste honderd bladzijden, op de vloer in een verdrietige spagaat. Ik ben absoluut geen bibliofiel, maar dit was cru. Hoe lang lag hij daar al? Zeker weten kon ik het natuurlijk niet, maar ik vermoedde dat zijn miserabele staat meer vandoen had met een gebroken hart dan met een gebroken rug. Want voor een tijd – wat was het, dagen, weken? – was hij onopgemerkt geweest, niet gemist. Wat te doen? Ik besloot dat het boek allereerst een paar dagen mocht doorbrengen in een sandwich tussen de atlas en de grote kattenencyclopedie. Hopelijk kwam hij er weer bovenop.

Boeken zijn aandachtziek. Ze kúnnen niet zonder. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat ze bestaan bij de gratie van aandacht. Uiteraard omdat ze met aandacht geschreven, geredigeerd en geproduceerd worden, maar als er vervolgens niemand is die ze leest, niemand is die erover praat, kortom: niemand ambassadeur van het stille, maar o zo veelzeggende boek is, sterft het de tragische dood van een mank zwerfkitten met chronische oogontsteking.

Een boek doet je stille beloftes. Lees mij, wil het roepen. Ik kan je leven veranderen. Ik ben voor jou geschreven. De wereld zal voor altijd anders zijn. Neem me mee en ik neem jou mee. Maar het zwijgt. Want het kan pas praten als het eerst is geopend. Het begint met één persoon. Eén avontuurlijke lezer die het een kans geeft. Eén voorzichtig enthousiaste lezer die aan een vriend vertelt dat hij er middenin zit en niet meer stoppen kan. Eén verbijsterde lezer die na de laatste bladzijde een missie heeft. Dít boek. Voor de wereld.

Alles wat je aandacht geeft groeit. En in het geval van boeken geldt dat dubbel. Want als een boek aandacht krijgt, genereert dat vaak meer aandacht. En waar boeken aandacht krijgen gebeuren mooie dingen. Ze leven ervan op als kinderen van pannenkoeken. Plotseling verschijnen er recensies, ontstaat er een schare online enthousiastelingen, gaan mensen het lezen in de trein, in het park en in de bus (en, inderdaad, dan ontstaat er een buzz rondom het boek – pun intended).

Plots zie je het boek overal een beetje glimmend van trots opduiken. In een tijdschrift. In een grote krant, aan de rand van het zwembad in de knuisten van een zonnebadende man met een grote roodverbrande buik.

Boeken willen niets liever dan opengeslagen, gelezen, overdacht en besproken worden. Ze willen ter ore en onder ogen komen en over de tong gaan.

Dus lees boeken, maar lees ook óver boeken. Juich erover, vier de liefde met een boek, zing erover, blog erover, praat erover in de kroeg, op het schoolplein, bij de bakker, in de rij bij het pretpark, aan de pomp, in de tram. App erover met je kinderen, vraag je beste vriend naar het eerste boek dat hij ooit las, en een vreemde op straat naar haar favoriet. Vraag je stomste collega welk boek hij het mooist vindt, vraag je schoonmoeder wat ze het liefst leest. Laat de eerste overhoring in de brugklas een boekenquiz zijn, ga met een peuter naar de bieb, geef je baas een boek cadeau.

Mijn lievelingsboek kwam weer uit de kreukels, zij het dat de bladzijden niet meer zo maagdelijk werden als voorheen, en de rug was voor altijd geknakt. Maar het gaf niet. Want op het moment dat ik het terug wilde zetten op de vensterbank tussen zijn evenknieën bedacht ik me. Ik ging ermee op de bank zitten en begon te lezen, opnieuw. En ik denk dat het toen toch zachtjes spinde.

 

Deze column droeg ik voor tijdens de lancering van Lees Magazine van bol.com, op 25 september 2016. Ook staat hij in het Lees Magazine.

Schrijf er nog maar een

Mijn vroegere buurman was een beetje een lul. Zijn zoon was een behoorlijk slim kereltje dat gek was van techniek en snakte naar de goedkeuring van zijn vader. Maar ieder goed rapport werd steevast beloond met een hoofdknik en toen mijn buurjongen leerde fietsen zonder zijwieltjes, zei zijn vader: ‘Dat werd tijd’.

Op een middag liet mijn buurjongen, op dat moment zes jaar, met fonkelende ogen aan zijn vader zien dat hij in de afgelopen dagen een kraanwagen van technisch lego helemaal zelf in elkaar had gezet. Mijn buurman keek er minzaam naar, nam de kraanwagen uit zijn handen en begon hem te demonteren. Toen het geval in 153 trieste onderdelen was veranderd, zei zijn vader: ‘doe het nog maar eens’.

Als je eerste roman is geschreven, gelezen en bekoeld word je soms een beetje bang gemaakt voor dat tweede boek dat er moet gaan komen. Debutant zijn heeft namelijk hele leuke kanten. Zo ben je als het even meezit een ‘belofte’, misschien zelfs een ‘ontdekking’. Je bent nieuw en mensen houden van nieuw. Nog onaangetast door meningen, door recensies en door de menselijkheid die in interviews naar voren komt. Maar als je tweede boek uitkomt, ben je plots een van de velen. Je bent niet meer nieuw en ‘veelbelovend’ is een woord dat ook niet meer van toepassing lijkt. Een tweede roman kan niets meer beloven. Een tweede roman moet waarmaken. Dan sta je aangekondigd in de catalogus van de uitgeverij en in het beste geval zegt men: ‘o ja, die,’ en: ‘ik ben benieuwd’.

Doe het nog maar eens. Je bent geen bijzonder geval meer en de speciale behandeling is afgelopen. Geen debuutprijs, geen debutanteninterviews. Je doet nu mee met de grote meisjes en jongens. Zoals je in groep 8 nog de heerser van het schoolplein was, en je in de eerste klas ontdekt dat het peanuts was, daar op de basisschool. En je zult hetzelfde meemaken als je gaat studeren. En als je gaat werken. Altijd zul je ergens de underdog zijn. Altijd ben je wel ergens out of your league.

Dan komt het erop neer je technisch lego niet in een hoek te smijten. Dan is het belangrijk dat er – al is het maar door een paar mensen – in je wordt geloofd. Zodat je het aandurft je langzaamaan te gaan meten met de groten.

En natuurlijk vragen mensen ook: verkopen ze een beetje? En ze vragen: kun je ervan leven? En ze zeggen: je zou eens op tv moeten komen, bij DWDD, dat moet je doen. Waar je eerste boek je de lucht in tilt, zet een tweede je weer op de grond. Dit is het dus: schrijven. De realiteit is ingedaald. En hoe desillusionerend dat ook mag zijn: het is ook wel mooi. Want je wilde toch schrijver zijn? Zie daar, je hebt het geflikt: boeken schrijven. Als iemand voorheen vroeg naar je werk, zei je: ik heb een boek geschreven. Sinds je tweede uit is, zeg je: ik ben schrijfster.

Maar woorden van bemoediging, die heb je nodig. Of ze nu van een groot recensent komen, van je vriendin, je opa of de jury van de ECI Literatuurprijs.

Mijn buurjongen is kapper geworden. Zo gaat dat.

De illusies van Meg Ryan

Je geloofde in zielsverwanten. In eeuwige liefdes en het lot. Je was namelijk dertien en het waren de hoogtijdagen van romantische komedies met Meg Ryan. We schrijven 1995 en het subject van je verlangen heette Johnny Depp. Je kende hem natuurlijk van de legendarisch deprimerende film What’s eating Gilbert Grape waarin hij de saaie, verstandige oudere broer van Leonardo DiCaprio speelde, maar gelukkig was hij ook Edward Scissorhands en zijn awkward-heid was stond gelijk aan schattigheid van de bovenste plank. En daarbij was hij gewoon heel knap. De Pirates of the Carribean moesten nog geboren worden (behalve Johnny Depp dan).

Hij mocht dan wel achttien jaar ouder zijn, als je zielsverwanten bent doet dat er niet toe. Ook toen al was je bereid de kracht van het geschreven woord onvoorstelbare proporties toe te dichten. Het is gewoon een kwestie van een hele goede brief, dacht je, om hem in te laten zien dat jullie bij elkaar hoorden. Als die brief maar sterk genoeg was, dan kon Johnny er niet omheen. In je allerbeste dertienjarigen-Engels schreef je een brief die ontsproot uit het diepst van je hart, uit alle fantasieën die je koesterde bij een uit de Hitkrant geknipte foto van hem. Het was een gokje, maar je dacht niet dat je ouders moeilijk zouden doen als hij je zou komen opzoeken en zou blijven logeren. Hij was dan wel dertig, hij was ook Johnny Depp. En je schreef, en schrapte, en schreef en schrapte en na drieëntwintig probeersels was de brief af en lag hij in al zijn perfectie te wachten op je bureautje. Op wat? Een adres? Een rijtje postzegels? Achteraf geloof je dat hij lag te wachten tot je kinderlijke naïviteit terug zou keren. Maar je werd alleen maar ouder.

Je eerste vriendje was geen zielsverwant, in elk geval niet de jouwe. Maar de schooluren werden minder verschrikkelijk omdat je nu een vriendje onder je huid droeg. Op het feestje voor je veertiende verjaardag werd je voor de eerste keer dronken, terwijl jouw paardrijdvriendinnen en zijn punkvrienden zich op anachronistische wijze mengden. Je was geen dertien meer.

En al ging het dan natuurlijk drie maanden later gewoon uit, al stopte je met paardrijden omdat je medelijden kreeg met de dieren, al was de brief aan Johnny Depp ergens onder geschoven of als kladpapiertje gebruikt, het gaf allemaal niet. Je was veertien. En alles was zojuist begonnen.

Kind-af

Je was dertien en wilde geen kind meer zijn. Sterker nog, je wás geen kind meer. Je was ‘op weg naar de volwassenheid’. Wat klonk dat goed. Tot een jaar geleden was volwassen zijn nog hetzelfde als ‘daar hebben we geen tijd voor’, ‘wandelen voor je plezier’ en gelijk-afwassen-want-dan-is-het-maar-gedaan’. Maar geheel onverwacht was er iets gedraaid, waardoor de volwassenheid hetzelfde was gaan betekenen als ‘ik doe wat ik wil’, ‘het is mijn leven’ en ‘ik ben onsterfelijk’.

Ook vond je – voor je op weg was naar de volwassenheid – iets leuk als anderen het leuk vonden. Nu was het andersom: je vond iets leuk omdat anderen het níét leuk vonden en daar schepte je een eenzaam soort genoegen uit. Zo was je aan je paarse haar gekomen.

Misschien was dit ook wel de reden dat je verliefd was geworden op de Jongen met Het Haar. Hij woonde in jouw straat, een eindje verderop. Eigenlijk kende je hem niet zo goed, maar dat háár. Bloempotten, stekeltjes, dat was gemeengoed. Maar zulk nonchalant loshangend haar als hij had, hadden jongens van jouw leeftijd niet. Na een tijd was je erachter gekomen wat zijn achternaam was. Je zocht zijn nummer op in het telefoonboek. Met enige regelmaat stond je met de huistelefoon in je klamme hand, zijn nummer in hoopvolle cijfers in je Snoopy-schrift, te wachten tot de moed je zou komen overvallen. Je fantaseerde graag en veel over hem; hoe je met jouw handen door zijn blonde haren zou glijden als jullie elkaar kusten. Je zou naast hem lopen door de stad en iedereen zou naar jullie kijken. Hoe kwam zij aan die jongen die aan de goden gelijk leek te zijn? Heb je zijn haar gezien? Zo volwassen!

Aan het eind van de zomer was je het zat. Volwassen zijn is een keuze, dacht je en je deed het volwassen ding: je duwde een briefje in zijn brievenbus. Er stond iets op als: Ik woon bij je in de straat. Zullen we een keer naar de film. Telefoonnummer.

En hij belde. Hij zei dat hij geen geld had voor de film, omdat hij spaarde voor een brommer. Maar je mocht best langskomen.

Na een halfuur van buikpijn, kledingroulette en het proberen aan te brengen van een bibberloos streepje eyeliner, toog je naar zijn huis. Met een maag propvol krijsende hormonen drukte je op de bel. Hij opende de deur en de hormonen verstomden. Voor de vorm ging je mee naar binnen, dronk je cola en rookte samen met hem een sigaret, want dat is nou eenmaal wat een volwassene zou doen. En als hij niet keek staarde je naar hem, verbijsterd. Volwassen als je was vroeg je er niet naar, maar na een tijdje vertelde hij het zelf: hij was net terug van de kapper. Het was heel lekker koel, dat korte haar.

 

Deze blog schreef ik als gastblogger voor Tirade in juni 2016.

Tussen paarden en klopgeesten

Je was dertien en zat op paardrijden. En je had daar paardrijdvriendinnen. Op woensdagmiddag na paardrijles hingen jullie nog uren rond op de manege. Jullie deden daar meestal geen paardendingen, maar kochten Curlywurly’s en puddingbroodjes bij het bakkertje verderop in de straat, leerden elkaar over de longen te roken achter de buitenstallen (een paardrijdadagium dat nog steeds af en toe geheel overbodig je gedachten binnen komt zeilen is: Een goede ruiter rookt niet) en deden amateuristische séances in lege stallen. En die séances zouden weleens de opmaat tot iets anders kunnen zijn geweest.

Iedere vrijdagavond spraken jullie af bij een van jullie thuis, vanwaar jullie – al Passoa drinkend – naar de videotheek in de buurt liepen. Daar aangekomen duurde het meestal een goed halfuur voor jullie de allergriezeligste, allerakeligste, allernachtmerrieachtigste horrorfilm hadden gevonden die jullie prepuberhersens aankonden. Thuis kon het griezelen beginnen. En toegegeven: tíjdens de film was het leuk. Op bank of bed, ingeklemd tussen gillende vriendinnenlijven, een beetje wee van de paprikachips die nog gedeeltelijk in je kiesholten plakte, voelde je je volkomen veilig. Maar het gemene van horrorfilms is dat ze vaak – in tegenstelling tot normale films – op een absoluut onacceptabele manier eindigen. Waar je in een dramafilm een slecht eind nog wel kunt verdragen (want de held is op de een of andere manier tóch gelouterd), is dat bij een horrorfilm onmogelijk. Het gebeurde niet zelden dat jullie een film alleen maar afkeken omdat hij te eng was om níét af te kijken. Het enige dat je nog kunt doen als je dertienjarige ogen geconfronteerd zijn met door naalden gefolterde lijven, afgestroopte menselijke huiden, en hologige hoofden op staken is hopen op een eind waarin de slechterik totaal onschadelijk wordt gemaakt (het is dan ook altijd te hopen dat er niet een zaadje tot een sequel wordt geplant, ergens na de aftiteling; de overbekende lach van de (dode?) slechterik is al voldoende). Alleen de finale destructie van de door generaties lange inteelt mismaakte hillbilly schiep rust.

Tot je een uur later in je eentje in bed aan niets anders meer kon denken dan dááraan en bad tot de god waarin je nooit had geloofd of de séance van afgelopen woensdag in het stro alstublieft geen kwade geesten had voortgebracht die zo naast je bed zouden gaan verschijnen.

En je concentreerde je op de poster met het mooiste Friese paard ter wereld, die naast je bed hing, en probeerde geen andere gedachte toe te laten dan de buitenrit die je laatst maakte op je lievelingspaard Femke.

En de vrijdag erop vroeg je argeloze vader waarom jullie niet gewoon eens een móóie film als Four Weddings and a Funeral gingen kijken. En jullie lachten en huurden Poltergeist.

 

Deze blog schreef ik als gastblogger voor Tirade in juni 2016.

Scheer-me-Ken

Het was nog maar een week geleden dat je van je zakgeld een Ken had gekocht. Hij heette Scheer-me-Ken, want de bruine vlekken op zijn wangen en kin kon je weghalen door er met warm water en een plastic minischeerstokje overheen te gaan. Scheer-me-Ken was van het kampeertype. Hij had een sportieve, wijduitstaande oranje korte broek met elastiek in de taille en een lekker neutraal wit T-shirt. Hij was duidelijk het soort man dat goed zou zijn in het tijdig beantwoorden van brieven van zijn foster-parentskind, het met twee fietsen fietsen en het openschroeven van een blik kapucijners met zijn teennagels. Je had nooit een Ken gehad. Wel eenentwintig Barbiepoppen en zelfs een aantal Skippers. Er was een Barbie van lang geleden bij, die zeer kort, plastic haar had en zij deed dienst als Ken, maar het was niet een Ken waaraan je je romantische gevoelens kon ophangen, want ze had harde puntborsten en een uiterst arrogante langgewimperde oogopslag.

Enter Scheer-me-Ken. Natuurlijk had je het wel gevoeld, de schaamte bij de kassa van Bart Smit. Een meisje van dertien koopt geen Barbies, Kens of welk ander speelgoed dan ook, maar dat gevoel schoof je opzij omdat er nu toch eindelijk, na al die jaren, een Ken zou komen.

Scheer-me-Ken was anders dan je je had voorgesteld. Zijn heikneuterigheid kon geen Barbie verleiden en het verontwaardigde je enigszins dat hij op de plek waar zijn geslachtsdeel had moeten zitten, niet eens een bobbel of een verhoging had, maar niks; een glad, steriel niks. Scheer-me-Ken was een eunuch. Misschien dat dat het moment was dat je je realiseerde dat het te laat was voor een Ken. Je hele kindertijd had je zonder gedaan en nu, op het randje van je jeugd aangekomen, was het te laat. Je had het geloof in Ken verloren.

Het ene ogenblik was je nog je Barbie met roze strepen in haar haar aan het verkleden voor het grote feest van Scheer-me-Ken, het volgende staarde je naar al die minikleertjes waarmee de vloer van je kamer was bezaaid en vroeg je je af wat het nut was. Wat was je aan het doen? Dit had niets te maken met het echte leven. Het feest was nep, je Barbie van plastic en Ken was een eunuch.

En zo stapte je de puberteit binnen, waar ‘doen alsof’ kinderachtig was en het echte leven maar één waarheid had. En het zou nog lang duren voor je doorkreeg dat verhalen verzinnen allesbehalve nutteloos is, fictie ook waarheid en Scheer-me-Ken met kleren aan gewoon een piemel heeft.

Fictie is echter

Ja, ik ben aardig, redelijk intelligent, ik zie er leuk uit en ik kan best gevat zijn, en o ja, ook belangrijk: ik kan goed schrijven, maar ik heb geen mediamagnetisch verleden. Je hoeft geen beproevingen te hebben doorstaan om een heel goede schrijver te zijn, maar het maakt je wel heel wat makkelijker te promoten. En dus is het geen wonder dat autobiografische boeken beter verkopen dan hun fictionele evenknieën.

Drugs, verslaving, een rare familie die je heeft verneukt, het zijn heerlijke onderwerpen om op tafel te gooien in De Wereld Draait Door. Dat zorgt voor opvallende, interessante gesprekken. En dat is wat boeken verkoopt. Maar wat nou als je geen haakje hebt? Wat nou als alles wat je schrijft pure fictie is? Valt er geen goed gesprek te voeren met een schrijver die zijn verhalen zélf verzint?

Juist dan, zou ik zeggen. Ik betwijfel niet dat een autobiografische roman creativiteit vereist, maar een verhaal maken uit niets, het houwen uit alle mogelijkheden ter wereld, van bebloede wasknijpers en suïcidale witte duiven tot een besmeurd babyluik, en van een Hello Kitty-verjaardagstaart op de keukenvloer tot een arts met syfilis, is andere koek. Personages scheppen met niets dan je verbeelding, het abstraheren en samenvoegen van al wat bestaat en is geschreven, bedacht, gemaakt, gezegd en bedoeld – en hiermee pogen te beroeren – is kunst. En met kunstenaars kun je in de meeste gevallen erg goed opvallende, interessante gesprekken voeren.

Mijn debuutroman Dogma uit 2014 gaat over een groep studenten die wil filmen hoe een van hen zelfmoord pleegt. Er zijn tientallen mensen geweest die me gevraagd hebben of het autobiografisch was. Vooral interviewers. Het antwoord moet ze altijd teleurstellen (of geruststellen). Het hele verhaal is van bladzijde 1 tot bladzijde 366 verzonnen. Nee, ik ken niemand die zelfmoord pleegde. Nee, ik heb zelf nooit suïcidale neigingen gehad. Nee, ik ben nooit een twaalfjarige jongen geweest die zijn beste vriend aftrok op zijn tienerkamer. Maar ik kan me er wél iets bij voorstellen.

Pure-fictieschrijvers zitten niet vast aan hun eigen ervaringen en herinneringen – alleen aan hun eigen fantasie. En die is grenzeloos. Jos Joosten (1964), hoogleraar Nederlandse Letterkunde, zei op 2 mei 2014 in NRC Handelsblad hierover: ,,Kijk naar Joost de Vries, Jamal Ouariachi, Wytske Versteeg. Zij roeren niet armoedig in hun eigen autobiografica om een boek te schrijven.” Het maakt ons betere schrijvers. Wij kunnen de waarheid, de universele menselijke ervaring uit het leven destilleren en in een verhaal op sterk water tentoonstellen. Dit is de waarde van fictie. Hella Haasse zei in een interview in de Volkskrant in 2006: ,,In fictie blijft de kern over, al is het een beetje verkleed. Fictie is échter.” Pure fictie kan sentimenten onsentimenteel onder de aandacht brengen, politiek zijn zonder te dwingen, het universele individueel maken en het individuele universeel, juist door niet rechtstreeks afkomstig te zijn uit het leven van de schrijver. Een fictieverhaal kun je vormen naar een universele waarheid, met iets dat steunt in de werkelijkheid wil dat nog weleens lastig worden; de feiten zitten in de weg. Je kunt er niet zomaar betekenis uit filteren. Andersom kan dat wel. Zoals scriptgoeroe Robert McKee zegt: ,,Story is a metaphor for life.”

Er is hier een heel mooie taak weggelegd voor de media – die zoveel lezers bindt aan zo weinig schrijvers – om juist ook het boek achter de schrijver te laten zien. Zeg maar, wat Wim Brands doet, maar dan op primetime? Zodat iedereen er per ongeluk mee geconfronteerd kan worden? Iedere dag? Een kwartiertje? We zouden het de geuzennaam ‘Literair Kwartiertje’ kunnen geven, naar het Leids kwartiertje dat een vertraging van het begin van het officiële programma inhoudt. En laat dan schrijvers zien die een compleet fictief verhaal te vertellen hebben. Laat ze uitweiden over hun eigen boek, laat ze vol emotie (kijkcijfers!) vertellen over het schrijfproces, hun personages, de thema’s, en – vooruit – de angsten, de twijfels, de lyrische momenten van de schrijver zelf, tijdens dat schrijfproces. Laat het draaien om het boek, en om niets anders. Laat ze de liefde voor hun eigen roman overbrengen op het publiek. Laat ze een stukje voordragen – jawel, op landelijke televisie. En laten we dan eens zien wat dat doet met de verkoopcijfers.

Ik ben Anne Eekhout, en pure fictie is mijn haakje.

 

Dit opiniestuk stond in NRC Handelsblad en in nrc.next van 21 maart 2016.