Epiloog

Laatst had ik het met een vriendin erover hoe ik ervan houd dingen af te ronden. In het bijzonder noemde ik het schrijven van de laatste scène van een roman of verhaal. Maar het geldt ook voor de laatste zin van een stuk of artikel. In die laatste zin of scène zit – als het goed is – de catharsis. Zonder dat laatste, verliest het hele boek, het hele stuk aan kracht. In een ideaal geval moet het het verhaal afsluiten, en tegelijk open laten. Het moet de verwachtingen inlossen op een prachtige, onvoorspelbare manier. In die ene scène of die ene zin kan een nieuwe wereld worden opgeroepen, een extra dimensie aan het verhaal worden gegeven. Het kan alle opengelaten vragen beantwoorden op precies het juiste moment, met precies de juiste middelen, en ondertussen alles op zijn kop zetten.

Maar afronden heeft altijd wel iets magisch. Weet je nog dat je je lagere school afsloot met een musical? En dat je in de voorbereidingen je al druk maakte om het afscheidslied, het laatste lied van de musical dat precies de goede toon moest treffen, de juiste bitterzoete gemoedstoestand van weemoed en reikhalzend uitzien moest uitdrukken, van saamhorigheid, zodat je je zelfs verbonden voelde – ja, gearmd zat – met dat rotjoch links van je dat altijd je stoel omdouwde?

Ik heb het zelfs met vakanties. Het inpakken, alle kasten leeghalen en de essentie van je bestaan de afgelopen weken weer terugbrengen naar die ene koffer vol. Vakantie afgerond. Ook weer gebeurd. Ik zou er wel een grote strik om willen doen.

Ook prettig afsluiten is het na het bakken van het een of ander. Taart in de afkoelmodus op het aanrecht, ingrediënten weer netjes in de kast, opgestoven bloem, gemorste suiker en spetters vanille-extract met een stuk keukenrol hop de vuilnisbak in. Alsof er een taart is ontstaan uit het niets.

Sterven is natuurlijk de ultieme afsluiter. Je ruimt gewoon in één zucht een heel leven op. Alsof er nooit is gefeest, gewandeld, geschreeuwd, gekrabt, geniest, gehuild, gespeeld, gedronken, geknipt, gereisd, gekust en gedanst. Alsof er nooit stickers waren, geen onbreekbaar speelgoed van Fisher Price, immer uitgedroogde glitterpennen, Teddy Ruxpin op de beeldbuistelevisie, haarwokkels, Fristi, Silly Putty, neusfluiten, De kleine kapitein, horloges van de kermis, Doet ‘ie het of doet ‘ie het niet, Fido Dido, East 17, Tamagotchi, Heartbreak High, Nightmare on Elm Street 1 t/m 7, eyeliner, Goldstrike, Turks Fruit, Nokia, Nintendo 64, de groentenburger van McDonalds, Gauloises, Grand Theft Auto, Billy-boekenkasten, Interview with the Vampire, bolletjesvla, The Cure, Red Dwarf, tentamens goederenrecht, versie 6.7 van Dogma, zwangerschapstesten en koopcontracten.

Of dat ben ik alleen.

Maar voor doodgaan is het veel te vroeg. Wel rond ik mijn reeks columns bij Hebban af. Het was bijzonder leuk om iedere maand te zorgen voor een onderhoudend stuk, maar nu ga ik verder met andere bezigheden. Mijn tweede roman is in het herschrijfstadium beland en ik ga daar de noodzakelijke tijd aan besteden, voordat hij (zij?) waarschijnlijk in het voorjaar, in de boekhandels komt te liggen. Als trouwe (of minder trouwe) lezer van mijn stukken nodig ik je van harte uit om mij te volgen op Twitter: @AnneEekhout, of op Facebook: https://www.facebook.com/anne.eekhout, danwel via mijn eigen website: www.anne-eekhout.nl. Dan krijg je vanzelf te lezen wanneer mijn volgende boek precies uitkomt. Ik vind het leuk om van je te horen.

Dan rest mij niets anders dan deze columnreeks af te sluiten met een laatste alinea die alle verwachtingen inlost. Pas dan is het echt afgerond. Hoppa: ook weer gebeurd. Strikje erom.

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.

Fantastico!

Ik wijt het aan een teveel aan fantasie, maar mijn puberale fascinatie voor het lugubere is er nooit helemaal uitgesleten, al is deze statistisch gezien behoorlijk afgenomen. Niettemin maak ik van een lieflijk kerkje graag een satanistisch bordeel. Of van een padvinder een monster.

Afgelopen maand zat ik een paar dagen in Rome met mijn goede vriendin en collega-schrijfster. Zij had mij meegevraagd omdat ze in het kader van haar tweede roman research wilde doen op een aantal plaatsen in Rome. Voor mij was het duidelijk meer een snoepreisje, daar ik met de beste wil van de wereld geen scène in mijn nieuwe roman kon fabuleren die zich af zou moeten spelen in Rome, of op zijn minst zou kúnnen spelen. (Geloof me, ik heb het geprobeerd.) Dus ik ging mee voor het gezelschap, voor het lekkere eten, het mooie weer, de kunst, de geschiedenis, en ja: ook om er op los te fantaseren.

En er waren voldoende prikkels voorhanden. Buiten de cultuur, de geschiedenis, de gebouwen en de kunst troffen we allerhande fantastische dingen aan: voetgangerspaden die plots eindigden aan de voet van een kruispunt van tien wegen waar alle Romeinse voertuigen tegelijk overheen probeerden te rijden (Bloederige aanrijdingen zie ik zonder enige moeite voor me); drinkfonteintjes waardoorheen de wereldvoorraad aan water langzaam maar onophoudelijk wegstroomde in het riool (Hm. Een complottheorie ontvouwt zich); bomen vol sinaasappels tegenover het Ministero delle Politiche Agricole, Alimentari e Forestali, die totáál oneetbaar bleken (gif?!) en een zeer indrukwekkende hoeveelheid grote boekhandels die ook nog drukbezocht waren (Weer een complot? Hersenspoeling?)

Maar buiten dat, bleek het ook nog eens Nationaal Padvinderweekend te zijn. Fine Settimana Esploratore Nazionale, waarschijnlijk. Hele legers aan padvinders: sommige groepen in groene pakken, andere in blauwe ribfluwelen broekrokken, alsof het helemaal niet dertig graden was. Er waren ook buitenpropotioneel veel volwassen padvinders die de Romeinse straten afschuimden. Italiaanse mannen met hoge kousen en gesteven korte broeken. Blote knietjes. Bloes. Sjaaltje.

Waar wij waren, daar waren zij. En wij waren echt op heel veel plaatsen. Toen wij lui zaten te zijn in park Villa Borghese, stonden zij twee grasvelden verderop vrolijke liederen te scanderen, en natuurlijk zagen we ze ook in de rij voor een van de drieëntwintig ijssalons die claimen het lekkerste ijs van de stad te maken. Zij waren het die ons aan de voet van de Spaanse Trappen stonden op te wachten toen wij het Keats-Shelley House verlieten. Het is dat de kleine padvinders zo aandoenlijk waren met hun kniekousen en hun geelgroen-gestreepte sjaals om hun moedige padvindersnekjes, anders had het toch echt het begin van een goede horrorfilm kunnen zijn. Maar de volwassen exemplaren… Het leek wel The Birds. Meestal deden ze alsof ze ons niet zagen, heus, en ze zaten ook niet – zoals de vogels in Hitchcocks film – in stilte voor zich uit te staren, maar juist aan een stuk door kakofonisch te kwetteren. En toch. Wie gaat er als het dertig graden is vrijwillig met kniekousen aan lopen? Juist. Dat doe je alleen als je een teveel aan lichaamsbeharing wilt verdoezelen. Veren bijvoorbeeld. Zwarte veren.

En gelijk begreep ik het ook helemaal. Geen enkele man van boven de twintig is padvinder. Geen enkele volwassen man gaat vrijwillig in een totaal seksloze outfit met kaboutersjaaltje om zijn nek over straat. Ik zag maar twee mogelijkheden: of het waren bodysnatchers die behoorlijk weinig research hadden gedaan, óf het waren vermomde kraaien. Ik weet niet wat ik enger vind.

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.

Wanneer komt de tweede?

Ik ken veel mensen die zelf geen boeken schrijven, die zeggen dat een boek van jezelf te vergelijken is met een kind. Soms bedoelen ze dat figuurlijk: ‘Je moet het leren loslaten.’ Soms roepen ze het letterlijk: ‘Het is toch je kindje, hè?’ ‘Nee,’ wil ik dan zeggen, ‘het is niet mijn kindje. Het is mijn verhaal. Bevalt het verhaal je niet, dan vind ik dat jammer, maar ik zal je er niet om veroordelen. Als daarentegen mijn kind je niet bevalt, zwaait er wat. Ook bied ik mijn kind niet te koop aan, stuur ik het niet de wereld in, in de hoop dat iedereen de schoonheid van mijn kind inziet en heb ik mijn kind nog nóóit ‘dat stomme kind’ genoemd. (Over het laatste: omdat ik acht jaar heb gewerkt aan Dogma, heb ik het indertijd weleens over ‘dat stomme boek’ gehad.)

En net zoals dat gaat als je eerste boreling een jaar, anderhalf jaar oud is, beginnen mensen ook nu aan mijn te vragen: ‘Wanneer komt de tweede?’ Het contract hiervoor geldt als een positieve zwangerschapstest, het afronden van de eerste versie als de 20-weken-echo (het gestel lijkt, zoals we het tot dusver kunnen bekijken, in orde) en de presentatie als de bevalling (hoewel een boekpresentatie meestal minder pijnlijk is).

Ik ken veel mensen die niet schrijven. Die voelen geen drang en hebben normale hobby’s. Schrijven is (voor mij) een nogal ambigue bezigheid. Een hobby zou ik het niet willen noemen. Het is ook werk natuurlijk. Leuk werk, wel, maar nog steeds werk. Liever zou ik iedere dag naar de bioscoop gaan. Liever zou ik koffiedrinken op een terras in de zon. Liever zou ik een mooie spijkerbroek kopen. Liever zou ik een goed boek lezen. Hm, wacht even. Nee. Liever zou ik een goed boek schríjven, maar het probleem is dat je als je alleen bent met je laptop en je eigen geest, geen ijkpunt hebt. Er is nog helemaal niemand die input geeft, en dat maakt de hele onderneming een beetje hachelijk. Het wil weleens voorkomen dat je iets schrijft waarvan je direct weet, gewoon wéét, dat het goed is. Meestal is het echter een kwestie van: tja. We zullen het zien. (Nog een verschil met een kind, want toen die in de pijplijn zat twijfelde ik er niet aan of hij zou geweldig worden.)

Nou moet ik er helaas bij vertellen dat dat laatste punt mijn eigen schuld is. Ik wil eerst het boek af hebben, voor er vreemde ogen mogen kijken en vreemde ideeën zich mogen mengen met de mijne. Het is – tot die eerste versie er ligt – nog strikt mijn eigen, persoonlijke zaak. Maar inmiddels ben ik er bijna klaar voor. Ik schat dat de eerste versie van mijn tweede roman binnen een maand naar mijn redacteur vertrekt. En dan wordt het pas echt spannend. Dan ga je aan alles twijfelen. Want het is natuurlijk wel zo dat ik weet dat ik een goed boek kan schrijven (dat heb ik al eens gedaan, namelijk), maar ik weet helemaal niet of ik twee goede boeken kan schrijven. Want dat heb ik nog nooit gedaan.

En hé, blijkt plots, geheel tegen mijn verwachting in, een overeenkomst te ontstaan met een kind. Want waar je tweede boek weer een beroep doet op je eigen kunde en zelfvertrouwen, doet een tweede kind dat ook. Tweede boeken hoef je gelukkig niet koest te houden terwijl je de eerste in bad doet. Tweede boeken worden ook niet tegen de afspraak in wakker als de eerste net in slaap valt. En beide boeken spannen ook niet tegen je samen door te gaan synchroonhuilen terwijl je aardappels aanbranden. Maar, waarschijnlijk, verdienen ze wel eenzelfde aanpak als de liefste mensen op aarde: liefde, regels en geduld.

Dus, nog even geduld. De tweede komt eraan.

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.

Kantoorverlangen

Schrijvers hebben geen kantoor. De meeste niet, in elk geval. Ook ik werk gewoon af en toe eens thuis, soms op de bank, soms aan tafel of op bed, soms in een café of in de bibliotheek. Het is een beetje waar ik op dat moment zin in heb en waar ik verwacht rust of juist input te kunnen vinden.

Ik ben soms wel wat afgunstig op mensen die naar kantoor gaan. Samen met radio 2 in een vroegochtendlijke file; of staand met je Starbuckskoffie in de om onduidelijke redenen vlak voor je bestemmingsstation stilstaande trein; de dagelijkse keuze van trap of lift; de automatenkoffie waarover wordt geklaagd door al je collega’s, behalve door die ene die altijd een batikrok draagt en vindt dat Nederlanders geen recht hebben om te klagen (en trouwens toch alleen maar rooibosthee drinkt); de kantinelunch, tijdens welke je tegenover je collega’s aan tafel zit en de hele tijd ziet hoe ze goulashsoep eten; het moment dat je erachter komt dat de kantoorplant van plastic is en de onbegrijpelijke teleurstelling die je daarop voelt; het functioneringsgesprek met je baas op precies zo’n dag dat je de hele tijd niet op bepaalde woorden kunt komen; je collega met de batikrok die, op het moment dat je je autoportier dichtslaat op het raampje tikt en hoopvol vraagt of ze een lift naar huis kan krijgen omdat ze anders te laat is om nog op bezoek te gaan bij haar zieke moeder in het bejaardentehuis.

Het heeft iets prettigs, zo’n kantoorbaan. Ergens waar je wordt verwacht. Waar je gratis kunt kopiëren. Waar iedereen weet wanneer je jarig bent, omdat er dan een mailing rondgaat. Waar de droppot nooit leeg is

Het maakt dat je kunt zeggen: ‘Ik moet naar kantoor.’ in plaats van: ‘Ik ga vandaag schrijven.’ (Het ene impliceert een verplichting, het andere een keuze.) Als je een mooie schoolfoto van je kind krijgt, kun je denken: die zet ik op mijn bureau, in plaats van: die zet ik in de lijst van de spiegel in de woonkamer naast de kerstkaarten van vorig jaar (die moet je echt eens opruimen). Je kunt af en toe zeggen: ‘Ik delegeer dat moeilijke klusje even aan Hans-Jan.’ in plaats van: ‘Misschien moet ik maar stoppen met dat kloteboek. Misschien moet ik maar gewoon stoppen met dat hele schríjven en een baan gaan zoeken.’

Toch zijn er een paar dingen die ik wel zou missen, als ik werkte op een kantoor aan de A4. Om te beginnen zou er geen dakloze zijn die me het Straatnieuws wilde verkopen, die een scala aan gevoelens in mij losmaakt, gedeeltelijk afhankelijk van of ik er een van hem koop of niet. Ook zouden er geen studenten zijn die hun geld verdienen met midden in drukke voetgangersgebieden staan en eisen dat ik – hoeveel haast ik ook heb – met ze praat over ofwel kinderen met kanker, ofwel de politieke situatie in Zimbabwe, ofwel de wrede hondenfok in Litouwen, ofwel de voordelen van een abonnement op de NRC. Ik zou nooit meer langs de klembordmensen lopen die midden op straat winkelend publiek aanklampen dat per ongeluk oogcontact maakt en vragen of het mee wil doen met een smaaktestje. Die mensen met de klemborden staan er áltijd, volgens mij. (Ze hebben het al voor elkaar gekregen dat ik nieuwsgierig ben geworden wat voor smaaktestje dat eigenlijk is. Soep? Duyvis-pinda’s? Quinoa? Sigaretten?)

En ik zou de man-met-de-gedichten nooit meer zien. Als schrijver moet ik er wel van houden: een dakloze man, een beetje verward, die probeert geld te verdienen door op straat voor de bibliotheek en de boekhandel (best slim) A4-tjes met zijn gedichten te verkopen. Dat vind ik echt tof: hij benut zijn talent om geld te verdienen; onafhankelijk en vrij. Trouwens, hij heeft ook geen kantoor.

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.

De incrowd, de superincrowd en de ultra-incrowd

Vele, vele verslagen van het boekenbal kun je dit jaar op het internet vinden. Het is een terugkerend fenomeen dat iedereen zegt dat er niets aan is en toch gaat. En zoals dat gaat met fenomenen, is er ook een tegenbeweging: mensen die zeggen dat het juist wél leuk is. Laten we niet hautain doen alsof het ons geen bal kan schelen of we een kaartje krijgen of niet. Laat zoveel duidelijk zijn: we willen worden uitgenodigd en we willen gaan. We willen ons van tevoren mooi maken en we willen over de rode loper van de Stadsschouwburg langs de camera’s lopen en heel even denken dat iemand een foto van ons maakte.

Dus, als je een kaartje krijgt, behoor je tot de incrowd. En dat is altijd leuk. Ingewikkelder wordt het door het volgende. Het is niet: je mag erheen of je mag er niet heen. Natuurlijk, het draait om het bal zelf, een fier bacchanaal vol bekende hoofden die ooit een boekje schreven en alhier de camera’s een dienst doen, maar er is ook een voorprogramma. En omdat de zaal van de Stadsschouwburg nooit alle boekenballers tegelijk zou kunnen herbergen, ontstaat er binnen die incrowd, een nieuwe incrowd, een superincrowd, zo je wilt. Deze gelukkigen; a) hebben het afgelopen jaar ofwel een boek geschreven wat is bekroond, dan wel genomineerd voor verscheidene belangrijke literaire prijzen; b) hebben zo’n prijzenkast, dan wel veel krediet in media en boekenwereld dat men zich het bal niet voor kan stellen zonder diens hoofd ergens te kunnen ontwaren, de zogenaamde coryfeeën; c) hebben een keer, een tijd geleden, of onlangs, niemand die het precies weet, weleens iets geschreven over het een of ander, én hebben een heel aangenaam tv-hoofd zodat het bal gespaard blijft voor taferelen van slechts onooglijke schrijvers die slechts aan schrijven doen.

Na het voorprogramma mag de rest van de boekenvakkers ook naar binnen en begint een avond vol drank&dansen, gelardeerd door vriendelijke verpleegsters die bakjes met pillen uitdelen, ontsnapte psychiatrische gogo-dansers die in ziekenhuispyjama magnifieke moves uitproberen, exhibitionistisch-suïcidale etalagepoppen die pretenderen van de balustrades te willen duiken en vriendelijke meneren die allemaal Freud willen zijn en uiterst begripvol blijven met betrekking tot de beschonken staat van menig patiënt. Uiteindelijk zijn alleen de garderobemedewerkers gewoon zichzelf en dat is wel een beetje jammer, omdat ze die natuurlijk ook heel gemakkelijk een dwangbuis hadden kunnen aantrekken, waarna ze nog met hun mond de jassen hadden kunnen hanteren.

Nou dacht ik dus dat dit het wel was, qua incrowd: voorprogramma, feest. Incrowd, superincrowd. Maar ik had het mis. Directeur van het CPNB, onze literaire weldoener, Eppo van Nispen kwam tegen het einde van het feestje even in het dj-hok om ons te vertellen dat het afgelopen was, máár dat de mensen met het rode polsbandje nog naar de afterparty in De Balie mochten komen. En daar hebben we het: de ultra-incrowd. Onnodig te zeggen dat ik daar niet bij hoorde, toog ik om drie uur braaf naar huis. maar niet voordat er een vol glas wijn over mijn jurk heen was gegaan omdat een nabije statafel door toedoen van een onbekende (het zal wel een schrijver zijn geweest) omver lazerde.

Toen vond ik het bal heel even niet zo leuk meer. Gelukkig werd ik bij de uitgang door het immer nuchter gebleven garderobepersoneel snel in mijn warme jas geholpen.

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.

Hoe je in de wereld van vrienden, bekenden en onbekenden te begeven nadat je boek is verschenen? – Deel 2

Het is een ingewikkelde wereld als je boek eenmaal uit is. Nieuwe sociale onbeholpenheid steekt om de haverklap de kop op, zowel aan de kant van de auteur, als aan de kant van de (beoogde) lezer.

Vorige maand heb ik verteld over bekenden van de auteur die het boek hadden gelezen en oeverloos willen vertellen hoe geweldig ze het vonden, mensen die het niks vonden, maar dat niet willen toegeven en onhandig geformuleerde complimenten maken en mensen die het boek weliswaar hebben gekocht, maar nog niet hebben gelezen door een (geheel gerechtvaardigd) gebrek aan tijd.

Deze week gaan we het hebben over vrienden en bekenden die de auteur over het algemeen minder na staan en zich niet verplicht voelen het boek aan te schaffen, of buiten de verwachting die de vriendschap schept om, het boek niet hebben gekocht.

 

Mensen die het boek nog niet hebben gekocht, maar zeggen dit nog te gaan doen

Een moeilijke groep. Je komt ze tegen op een feestje, ze vinden het fántástísch dat je boek er eindelijk is en hebben iets gelezen over goede recensies en hoe trots zal je wel niet zijn? Maar dan komt onafwendbaar het moment in het gesprek dat de lezer zich genoodzaakt voelt (geheel ongerechtvaardigd) te vertellen dat hij het boek nog niet heeft aangeschaft. Uiteraard gaat hij dat beslist nog doen, dat vergeet hij alleen steeds, want zo vaak komt hij niet bij de boekhandel. Op dat moment wil je als auteur wel beginnen over online winkelen en de voors en tegens ten opzichte van het steunen van de lokale boekhandel, maar je bent bang dat je hiermee teveel de nadruk legt op het moeten kopen van je roman, terwijl je vindt dat dit – natuurlijk – zonder enig plichtsgevoel volledig uit de bevriende lezer zelf dient te komen. (Niettemin ben je uiteraard wel teleurgesteld in hem en in de vriendschap.)

 

Mensen die het boek niet hebben gekocht en klaarblijkelijk niet van plan zijn dat te gaan doen

Eigenlijk is het gemakkelijker om te gaan met dit type (non-)lezer dan met bovenstaande. Deze lezer put zich niet uit in superlatieven die moeten doen blijken hoe geweldig zij het wel niet voor je vindt dat je boek uit is. In plaats daarvan is ze kritisch-geïnteresseerd. Ze straalt uit: ik ben niet iemand die het ongelooflijk leuk vindt een schrijver te kennen, hoor. Integendeel: ze lijkt het zelfs een beetje vervelend te vinden. Met lichtelijk wereldvreemde, kritische vragen probeert ze, ja…wat probeert ze eigenlijk? Vragen als: ‘Heeft je uitgever er niet voor gezorgd dat je De Wereld Draait Door kwam?’ en: ‘Robert Vuijsje zegt dat hij door de juiste mensen aan te spreken zijn boek verfilmd kreeg. Waarom doe jij dat niet?’ maken dat je als auteur geneigd bent uit te leggen hoe de dingen eigenlijk werken, maar dat doe je niet omdat je niet betweterig wilt overkomen. (En ook omdat de (non-)lezer Vuijsjes uitspraak toch wel boven de jouwe zal achten.)

 

Mensen die überhaupt niet op de hoogte zijn van het boek, en die er tijdens het gesprek op de een of andere manier mee geconfronteerd worden

Ook deze groep duwt de auteur in een moeilijke positie. De groep is grofweg onder te verdelen in twee subgroepen: de mensen die niet wisten dat het boek is uitgekomen en de mensen die sowieso niet wisten dat je schreef. Om met de eerste groep te beginnen: deze lezer is vaak verbijsterd en enthousiast. Alle onderdelen van het debuteren waar jij als auteur maandenlang tussen hebt verkeerd, dringen in één gesprek tot de lezer door: Uitgeverij! Redacteur! Omslag! Presentatie! Je eigen boek in handen! Recensies! Lezingen! Het gevaar hier is blasé over te komen, omdat al deze dingen uiteraard heel fijn en spannend waren toen ze gebeurden, maar dat alles went en dat het gewone leven ook gewoon doorgaat (jammer genoeg). Gelukkig is deze groep wel weer zo druk bezig met zich de gebeurtenissen voorstellen dat ze geen tijd hebben om zich schuldig te voelen over het nog niet gekocht hebben van je boek. Het andere subtype is een beetje vreemde eend in de bijt. Dit subtype kent je namelijk helemaal niet zo goed. Anders wist men wel dat je schreef. Dit zijn dus de collega’s van je partner op een personeelsfeest, andere ouders op de school van je kind, de buren van twee huizen verderop. Omdat je niet ijdel bent en niet wilt koketteren met je ‘beroep’, houd je je meestal op de vlakte als het om schrijven gaat. Maar mensen zijn nieuwsgierig en vragen toch. In dat geval is het het beste om naar waarheid vragen te beantwoorden, maar gedoseerd te zijn in het vertellen uit jezelf. Omdat schrijven een beroep is in een heel andere categorie dan accountmanager van kantoorartikelen of luchtverkeersleider (want slechtbetaald, eenzaam en met een zweem van elitaire aanstellerigheid), moet je uitkijken niet te ‘interessant’ te doen over je baan. Daarom kun je beter zeggen dat het ook maar gewoon werken is, hard werken, dat je ook gewoon ’s avonds naar troep op televisie kijkt en Facebookt onder werktijd. En het is natuurlijk ook daarom dat iedere schrijver zegt dat het Boekenbal drie keer niks is (terwijl het – ssst – groot geheim, fántástísch is).

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.

Zij

Mijn eerste dag in de vierde klas van de middelbare school kwam zij naast me zitten. Ze droeg een lange zwarte jas, groen gelakte nagels en er hingen zilveren oorringen tussen haar roodbruine haar. Pats! Raak was het. Alle hokjes van een perfecte tienervriendschap werden afgevinkt met zwarte eyeliner; de liefde voor verwante muziek (zij rock, ik punk), de noodzaak tot rebellie (ik voorop, zij in mijn kielzog), loyaliteit (leeftijdgenoten die nare dingen naar mij riepen – wat indertijd nogal eens gebeurde als je groen haar had – gaf zij de blik des doods) en eendracht op tal van andere vlakken (sympathieke docenten, middagbesteding, kroegen, drank, humor). Nauwelijks een week in de vierde klas en we wisten het allebei: wij zijn elkaars liefste.

 

Zij vermoedde het niet, zoals ik het zelf ook niet vermoedde, maar omdat we zo intensief met elkaar omgingen op zo’n bepalend moment – het snijpunt tussen kind en volwassene – zou haar invloed op mijn leven enorm zijn. Ik heb betrekkelijk veel domme dingen gedaan in mijn jeugd en zij was de enige die ik alles vertelde, en de enige die nooit iets afkeurde. Toen ik met een internetdate een weekend Antwerpen boekte bij wijze van eerste afspraakje, zei zij: ‘Veel plezier. En pas goed op jezelf.’ Toen ik gedesillusioneerd terugkwam en aan de telefoon niets kon zeggen door alle tranen die in de weg zaten, kwam zij naar me toe. In de deuropening hield ze me vast. Ze zette thee. En toen het avond werd bestelde ze pizza, en besloten we dat stomme beslissingen niet per se bestraft hoefden te worden met desillusie en verdriet. Zij overtuigde mij ervan dat een slechte keuze mij geen slecht mens maakte. Dit, maar ook het simpele feit dat zíj – die zo leuk, zo lief, zo meelevend en oprecht geïnteresseerd was – míjn vriendin was, en ik de hare, maakte dat ik mezelf meer waardeerde. Een zelfwaardering die altijd zou blijven, ook toen zij dat niet deed.

 

Een goede vriendschap kan alles overleven. Maar misschien niet alles tegelijk. Ik verhuisde naar een andere plaats, zij raakte bevriend met mensen die ik niet kende, ik ging studeren, zij ging werken, een van mijn verkeringen bleek bestendig; ik kreeg kinderen, zij bleef genieten van het leven dat wij hadden, vóór alles veranderde.

 

Mijn liefste vriendin en ik zijn niet meer samen. We zoeken elkaar nog wel eens op, maar ook dat gebeurt steeds minder. De veranderingen zijn te groot geworden. Ik mis haar en ik mis haar niet. Ik mis de vriendschap die we vroeger hadden. Ik mis ons zoals we zestien waren en Gauloises rookten op de stoeprand. Ik mis ons zoals we ’s nachts de hei op gingen om wijn te drinken. Ik mis ons zoals we bij mij thuis mijn negentiende verjaardag inluidden geholpen door bessenjenever met ijs, voor het echte feest begon. Ik mis ons zoals zij altijd bij me was in alle herinneringen die ik heb aan alle duizend dingen in mijn jeugd. Zij heeft mij geholpen volwassen te worden.

 

Zij is een onderdeel geworden van de tijd, een alomtegenwoordige liefde die aan alle kanten mijn leven raakte en nu is verworden tot herinnering. Mijn liefste herinnering.

 

Deze column schreef ik voor ELLE Magazine, februari 2015.

Hoe je in de wereld van vrienden, bekenden en onbekenden te begeven nadat je boek is verschenen? – Deel 1

Een goede vraag! Om hier antwoord op te geven is het allereerst van belang een onderscheid te maken tussen verschillende situaties. Ik heb het dan niet over de gelegenheid waarbij je iemand treft, maar over de reactie die al dan niet plaatsvindt, op het verschenen zijn, gekocht hebben of gelezen hebben van het boek in kwestie.

Ik onderscheid:
• Mensen die het boek gelezen hebben en het mooi vonden
• Mensen die het boek gelezen hebben en het oninteressant of gewoon slecht vonden, maar beleefd willen blijven en denken iets goeds te zeggen maar het eigenlijk alleen maar erger maken
• Mensen die het boek hebben gekocht, maar niet gelezen en die zich daarvoor uitputten in excuses
• Mensen die het boek nog niet hebben gekocht, maar zeggen dit nog te gaan doen
• Mensen die het boek niet hebben gekocht en klaarblijkelijk niet van plan zijn dat te gaan doen
• Mensen die überhaupt niet op de hoogte zijn van het boek, en die er tijdens het gesprek op de een of andere manier mee geconfronteerd worden

 

Mensen die het boek gelezen hebben en het mooi vonden
Je zou misschien zeggen dat dit het makkelijkste type is, maar dat is ver bezijden de waarheid. Het is weliswaar goed om te horen dat iemand van je boek heeft genoten, het mooi vond en dat het gevoelens losmaakte, dit type gesprek verwordt zo snel als je ‘okselzweet’ kunt zeggen in een sociale faux pas, met zwijgende glimlachjes, langdurig hoofdknikken na het schamele dat er nog gezegd wordt, en dwalende ogen opzoek naar een excuus (een wolk in de exacte vorm van een vliegende aap, een rouwstoet begeleidt door muziek van Motörhead) om het gesprek een andere richting in te duwen. In weerwil van de meeste gesprekken over literatuur tussen lezers, zijn gesprekken tussen een auteur en haar lezer, zelden verheffend, inzichtelijk of amusant. De lezer kan de auteur niets vertellen wat zij zelf al niet wist (behalve dat deze lezer het boek dus prachtig, spannend, etc. vond) en de auteur wil en moet zich niet gaan mengen in zaken van het boek en diens lezer. Vermijd dus zowel als lezer en als schrijver situaties waarin het gesprek langer zal gaan duren dan twee, drie minuten. Samen in een lift staan is goed, naast elkaar in de trein zitten van Roosendaal naar Vlissingen niet.

 

Mensen die het boek gelezen hebben en het oninteressant of gewoon slecht vonden, maar beleefd willen blijven en denken iets goeds te zeggen maar het eigenlijk alleen maar erger maken
Dit is een vreemde categorie. Het is natuurlijk vervelend als mensen hetgeen je geschreven hebt niet net zo leuk en mooi vinden als jij, maar shit happens. Het wordt pas onaangenaam als men hier niet voor uit wil komen. Dus men zegt iets in de trant van: ‘Ja, ik heb het gelezen. Ik vond het een apart boek. Sommige stukken zijn best een beetje literair, hè? Is het literatúúr? Het wordt best spannend aan het eind, hoor. Heel anders dan in het begin.’ In deze situatie is het belangrijk om zo snel mogelijk – maar niet abrupt! – over te gaan op een ander onderwerp. Snel, omdat wat je ook zegt, het zal de mening van de lezer over het boek toch niet ten goede komen – in tegendeel, waarschijnlijk. Niet abrupt, omdat je niet de suggestie wilt wekken dat je het vervelend vindt om vermomde kritiek op je boek te krijgen.

 

Mensen die het boek hebben gekocht, maar niet gelezen en die zich daarvoor uitputten in excuses
Dit is verreweg de grootste groep. Regelmatig wordt gesproken over de ontlezing in Nederland en niet ten onrechte. Concurrentie van relatief moderne zaken als internet en televisie voegt zich bij aloude anti-leesstrategieën als het onderhouden van sociale contacten, naar het werk gaan en kinderen opvoeden. Dit heeft tot gevolg dat de stapel met nog te willen/moeten lezen boeken almaar blijft groeien. En als daar een boek bij komt van een bekende, is de kans aanwezig dat het een moetje is. Een boek aangeschaft uit loyaliteit en niet uit interesse kan erop rekenen niet bovenop, maar ergens in het midden, of misschien wel onderop geplaatst te worden. Hoewel de auteur natuurlijk dankbaar is voor de loyaliteit, is het aan te raden toch maar niet teveel te spreken over die leesstapel, aangezien het goed duidelijk maakt dat de lezer in feite meestal een tv-kijker is en de auteur als persoon, noch het onderwerp van haar boek de potentiële lezer zover kan krijgen dat hij een heel seizoen America’s Next Top Model overslaat.
Tot nu toe hebben we de lezers behandeld die de auteur toch in enige mate ter wille zijn. Volgende maand behandel ik de andere drie typen, in wiens gezelschap de auteur zich toch vooral geneert voor de keuze van haar beroep en vreest van ijdelheid en aanstellerigheid beticht te worden.

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.

Zucht

Wat vooraf ging aan deze column.

Tijdens het schrijven aan mijn tweede roman probeer ik uit alle macht niet aan mijn tweede roman te schrijven. Liever geef ik de kat eten, aaitjes of een schone kattenbak. Liever zet ik eerst muziek aan om in de juiste stemming te komen. Of ik ga die moeilijke mail maar even beantwoorden, want dat moet ook gebeuren. En ik herinner me plots iets wat ik nog even moet uitzoeken: het adres van de schoenmaker waar ik deze week langs moet. En dan gelijk maar even wat traktatie-ideeën voor mijn oudste kind. En dan kijk ik in een moeite door of dat bedrag al is bijgeschreven, zoals de Wehkamp beloofd had. Oooo, glad vergeten: ik moet ook echt beginnen aan dat sinterkaasgedicht! Dat doe ik eerst maar even dan. Prioriteiten, weet je wel. En had ik alle cadeautjes eigenlijk al in huis? Even snel uitzoeken. Zo. Mailbox opgeruimd, begin gemaakt aan sintgedicht, boodschappenlijstje gemaakt, agenda bijgewerkt, whats-appjes beantwoord: het grote schrijven kan beginnen. Ik zit er klaar voor. Opgeruimd huis, opgeruimd hoofd. Het kan. Even een blik op de klok, want het is belangrijk om te weten wanneer ik weer moet overgaan tot alle andere zaken die deze dag moeten gebracht, opgehaald, geliefkoosd, gekocht, rondgebracht, opgeruimd, gewassen, geregeld en gesmeerd. En dan blijkt, tot mijn ontsteltenis – heus! – dat ik nog maar een halfuur de tijd heb! Het is de moeite niet om nu nog in mijn verhaal te duiken, dat spreekt voor zich. Dan kan ik net zo goed even op Facebook gaan. Volgende keer beter.

Was het maar waar. Vreemd genoeg wil ik de volgende keer, en de keer daarna, en de keer daarna, het patroon maar niet zien. Absurd genoeg blijf ik denken dat dat tweede boek zichzelf wel zal schrijven. ‘Dogma’ is er uiteindelijk ook gekomen, ondanks de talloze uren waarin ik verzaakte. En oké, misschien had het geen acht jaar geduurd als ik niet uren en uren verdaan had met redenen zoeken om niét te doen wat ik graag doe. Zo heet dat dan, hè: dat je graag schijft. Maar ik schrijf helemaal niet graag. Ik schrijf heel graag niet. Het is heel prettig om niet te schrijven. Maar ik heb wel heel graag geschreven. Maar dat is een ander verhaal.

Schrijvers – en andere mensen – staan er berucht om: het verneukeratieve uitstellen van wat je eigenlijk wilde doen. Er zijn hele boeken over geschreven, maar hoe die ooit afkwamen? En geregeld wordt er een artikel, een blog of een column geschreven over procrastinatie, zoals je het kunt noemen als je een beetje interessant wilt doen. Ik lijd aan procrastinatie. Al die lappen tekst die erover worden geschreven: uitstelgedrag. Mij maak je niets wijs.

Het is een kwestie van prioriteiten. Wat moet nu en wat kan wachten. En het is doodlogisch dat die zeurmail van het energiebedrijf over een betalingsachterstand eerst moet, aangezien men dreigt met aanmaningskosten en andere onsympathieke acties. De deadline voor mijn roman ligt in de verre, verre toekomst en van hieraf bezien is het een bespottelijk idee dat een middag meer of minder schrijven het halen van die deadline ook maar een fractie beïnvloedt. De logica roept natuurlijk wat anders. Want met dat excuus blijft het niet bij één middag en ook niet bij twee en voor je het weet zit je je drie weken voor de deadline met een chronisch miauwende kat aan je voeten al Facebookend af te vragen waar het in vredesnaam zo fout is gegaan.

Het maken van een boek is behalve een wonderlijk proces – verschrikkelijk vreemd en mooi om deel van uit te maken – ook verschrikkelijk eng. En daar zit de crux, denk ik. Zoals ik er bij mijn eerste roman niet geheel zeker van was dat ik wel kon schrijven, zo weet ik bij mijn tweede niet geheel zeker of ik deze roman kan schrijven. Blijkbaar heb ik een voorkeur voor verhalen en vertelmethoden die me nét iets boven de pet lijken te gaan. En vervolgens duurt het jaren voor ik me zodanig thuis voel in het boek dat ik durf te zeggen of het goed is. Aangezien ik mezelf en mijn uitgever heb beloofd het dit keer aanzienlijk sneller op te leveren, blijft er geen andere mogelijkheid over dan het gewoon doen, de angst en twijfel negeren en focussen: schrijf dit boek. Nu.

Maar eerst nog even een column schrijven. Prioriteiten, weet je wel.

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.

Het parallelle universum ergens in de Eifel

Begin deze maand zat ik met mijn laptop op schoot op mijn kamer in schrijversparadijs De Oude Pastorie in Duitsland. Mijn vierde keer een week lang hele dagen schrijven en het besef dat ik de vorige keren nog tot mijn nek in mijn debuut Dogma zat, drong zich aan me op. Voornamelijk omdat ik me die keren nog zo goed kan herinneren. Een aantal andere schrijvers die ik kende van vorige weken waren er nu ook bij en de conversaties kwamen direct weer moeiteloos tot leven, alsof ik niet steeds tussendoor voor een jaar was teruggekeerd naar huis. Het is een gegeven dat sinds ik kinderen heb gekregen en de dertig gepasseerd ben, een terugkerende rilling in mij losmaakt. Een jaar is niet meer wat het ooit was: een onoverzienbare plak tijd waarin heel erg veel kon gebeuren. Tijd is überhaupt niet aan de orde in het mysterieuze Malberg, waar wij – schrijvers – ons een week lieten opsluiten met onze laptops (en, nou ja, de wijn), voor het hogere doel van een roman (en, nou ja, de wijn). In dit dorp staat de tijd niet stil, nee het is veel erger dan dat: er is gewoon geen tijd. Ieder verblijf kan ik mij weer verheugen op precies hetzelfde dorp met precies dezelfde dingen die het zijn gruwelcachet geven – tenminste voor ons, angstige stadse schrijvers.

Er is niks te doen. De weinige mensen die je ziet lijken stuk voor stuk bezig in stilte hun zelfmoordplannen vorm te geven. Of dat is mijn beroepsdeformatie. Dat kan ook. Vreemd genoeg – en dit onderstreept alleen maar de rarigheid van het dorp – wonen hier ook best mensen onder de dertig. Soms zie je ze ook. Dan hebben ze een overall aan met van die legervlekken en hun haar zit heel gek, met een soort jaren tachtig-kuif. Ook dat van de vrouwen. En ze kijken stuurs. Maar meestal zie je ze niet. Meestal zie je niemand. Wel sporen. Lege bierflesjes op een uitgerangeerd treinstel; een levensgrote plastic herdershond in een plastic hondenhok; veel te vroeg – of veel te laat – hangende kerstversiering achter zeer ongewassen ramen. Ze doen wel hun best, de Malbergers, was onze conclusie, maar het lukt ze gewoon niet. Ze maken een dorpskern, maar er verschijnen geen winkels; een pension aan een doorgangsweg met uitzicht op een leegstaand pand met ingeslagen ramen noemen ze ‘Eiffelglück’; iemand (de burgemeester?) zorgt voor nieuwe speeltoestellen voor de speelplaats middenin het dorp, maar er is niemand die weet hoe ze geïnstalleerd moeten worden, dus ze liggen daar maar. Ik voelde me zo plaatsvervangend treurig bij het zien van al die grijsheid, dat ik me afvroeg waarom men zich niet collectief in rivier de Kyll stortte, die midden door het dorp heen al ruisend en klotsend zijn verlossende aanwezigheid kenbaar maakte.

Toch komt een groot deel van ons schrijvers graag en regelmatig terug in Malberg. Misschien is het juist de omgeving die verleidt tot niets dan schrijven. Misschien is het dat we ons oprecht afvragen hoe de levens van de Malbergers eruit zien en zet dat aan tot creativiteit. Misschien is het het schrijvers-aangeboren verlangen naar wanhoop en naargeestigheid.

Gelukkig weten we ons binnenin de oude pastorie beschermd tegen een teveel aan Eifelglück en kunnen we stiekem en eensgezind gruwelen bij het horen van elkaars belevenissen na de dagelijkse wandeling door het dorp. (Het woord ‘belevenissen’ is hier uiteraard niet op zijn plaats. ‘Treurige ontdekkingen’ is een beter woord.) ’s Avonds in elk geval. Want overdag leggen we ons onverzettelijk toe op het verzinnen en verwoorden van de verhalen die alleen de isolatie mogelijk maakt. Op die momenten ben ik moeder-af, vriendin-af, dochter-af, ja, soms zelfs mens-af. En dat maakt dat het heel af en toe zo is dat het schrijven geen moeite kost. Mijn ‘ik’ drijft dan een beetje halfbewust rond in mijn schedel en alles wat er is, is de verbinding tussen gedachtenflarden (die maar gedeeltelijk van mij lijken) en mijn vingers op het toetsenbord. Het is een staat waarin ik niet vaak verkeer, waarin tijd geen rol speelt en ik vermoed dat de zielloosheid (of tijdloosheid, zo je wilt,) van Malberg hieraan debet is. Alsof mijn geest even een pauze wil van alle druilerigheid en mijn lichaam tijdelijk alleen laat met dat verhaal dat ergens vandaan mijn gedachten betreedt. Waar die geest dan op dat moment precies vertoeft weet ik ook niet. Wellicht gaat ze alvast terug naar Nederland om wat rekeningen te betalen die zijn blijven liggen, of om memory te spelen met de kinderen.

Nu ik er zo over nadenk: misschien ben ik daar niet de enige bij wie het verstand het lichaam heeft verlaten. Misschien dat de Malbergers niet stuurs kijken, maar geestloos. Misschien lijd ik, aldaar, aan precies hetzelfde syndroom. Misschien is Malberg zo’n unheimisch dorpje om een reden die zo voor de hand liggend is dat ik hem eerder niet overwoog.

Zombies.

 

Deze blog schreef ik voor de boekenwebsite Hebban.