Quarantaineglimlach

Ik weet niet of het mooi of juist tragisch is dat een tripje naar de supermarkt tegenwoordig het lichtpunt van mijn dag is. Het begint als ik mijn voordeur uitstap: de lenteblauwe lucht, de bloesem in de bomen, vogelgekwetter tussen de takken, de zon die iedere dag schijnt. Alles is er nog. Ik hoef helaas niet ver te lopen voor de supermarkt. Was ik ooit maar op het platteland gaan wonen, de supermarkt mijlenver weg. Dan zouden mijn dagen van wandelen en niemand tegenkomen dezelfde zijn als altijd. Maar ik woon in het centrum van de stad. De stoep in mijn straat is smal. Soms zie ik in de verte iemand lopen. Dan begin ik me al af te vragen wie van ons bij het passeren de straat op zal stappen. Mijn tegenligger en ik knikken naar elkaar, glimlachen lichtjes: de quarantaineglimlach. Die glimlach zegt dat we elkaar begrijpen, dat we nu precies weten hoe de ander zich voelt, want zo voelen wij ons ook. We kunnen nu in alle hoofden kijken, overal klinkt hetzelfde refrein. We zouden iedereen willen omhelzen, en in gedachten doen we dat, want nooit waren we zo dicht bij elkaar. En als we terugkomen van de supermarkt gaan we ieder ons eigen huis binnen, het fort dat ons beschermt tegen onzichtbaar kleine entiteiten. We wassen onze handen, ellenlang en gaan dan zitten bij het raam. We zien de bomen in bloei staan onder een kalme, weergaloze hemel. De zomer komt eraan. Alles is er nog.

Deze column verscheen eerder op Uitagenda Utrecht.